KKennisToetsLager onderwijs

Tekststructuur, signaalwoorden en verwijswoorden

Inleiding, midden en slot, titels en alinea's, signaalwoorden per verband (opsomming, tegenstelling, reden en oorzaak, doel, gevolg, voorwaarde, tijd, conclusie) en verwijswoorden.

10 min lezen 5 doelen20 bronnen

Waarom dit ertoe doet

Een tekst is meer dan een reeks zinnen. Titels, alinea's, signaalwoorden en verwijswoorden tonen hoe de ideeën samenhangen. De minimumdoelen noemen ze samen structuuraanduiders en vragen dat leerlingen ze begrijpen bij het lezen (4de leerjaar) en gebruiken bij het schrijven (6de leerjaar), samen met titels, tussentitels en alinea's . Ook interpunctie en hoofdletters horen bij de tekstconventies die een lezer moet begrijpen ; die regels vind je in het hoofdstuk Spelling.

De bouw van een tekst

  • Inleiding, midden, slot. Instructie over tekststructuur (inleiding, midden, slot) helpt vooral bij informatieve teksten . In een goede inleiding staat meteen waarover de tekst gaat ; het midden werkt het onderwerp uit; het slot rondt af.
  • Titels en tussentitels. Tussenkopjes zijn de wegwijzers in een tekst: ze tonen de thema's en subthema's .
  • Alinea's, paragrafen, hoofdstukken. Ze markeren de onderdelen uit het bouwplan van de tekst. Korte teksten van een à twee A4'tjes hebben meestal alleen alinea's .

De alinea

Een alinea is een verzameling zinnen die met elkaar samenhangen, en elke alinea stelt één onderwerp centraal . Normaal begint een alinea met de kernzin; soms staat de kernzin achteraan, en in heel zeldzame gevallen in het midden .

Signaalwoorden

Signaalwoorden zijn woorden die een bepaalde samenhang aanduiden, zoals want, omdat, maar, bijvoorbeeld, dus en tot slot. Ze worden ook verbindingswoorden of structuuraanduiders genoemd . Ze verbinden niet alleen zinnen, maar ook alinea's .

verbandsignaalwoorden
opsommingten eerste, allereerst, bovendien, ook, daarnaast, verder, niet alleen ... maar ook, ten slotte
tegenstellingmaar, echter, toch, hoewel, ondanks, daarentegen, integendeel, enerzijds ... anderzijds
vergelijkingzo, net als, evenals, op dezelfde manier
voorbeeldbijvoorbeeld, zoals, denk aan, ter illustratie
reden, oorzaak, doel, gevolgomdat, want, daarom, doordat, daardoor, waardoor, zodat, om te, opdat
tijdeerst, daarna, vervolgens, voordat, nadat, terwijl, tijdens, uiteindelijk
samenvatting, conclusiedus, kortom, al met al, met andere woorden, samenvattend
voorwaardeals, wanneer, indien, mits, tenzij

De eerste zeven rijen volgen de lijst van Onze Taal, die reden, oorzaak, doel en gevolg samen onder argumentatie zet . De voorwaardelijke voegwoorden komen uit de ANS .

Reden of oorzaak?

  • Een reden wordt beïnvloed door de menselijke wil, een oorzaak niet .
  • Omdat kan een reden én een oorzaak aangeven; doordat alleen een oorzaak. Als er duidelijk sprake is van een reden, is alleen omdat juist .
  • Zo ook: daarom geeft een reden aan, daardoor een oorzaak .
  • Want is een nevenschikkend voegwoord dat causaliteit aanduidt; dus duidt een gevolg aan .

Doel en gevolg

  • In de standaardtaal druk je een doel meestal uit met om ... te; opdat hoort tot de formele taal .
  • Zodat kan een doel uitdrukken ('met de bedoeling dat'), maar ook een gevolg ('waardoor') : Het was erg glad, zodat alle fietsers moesten afstappen.

Tegenstelling: maar en echter

Echter en maar geven allebei een tegenstelling aan. Maar is een voegwoord, echter een bijwoord . Zulke voegwoordelijke bijwoorden (echter, bovendien, daarentegen, bijgevolg) leggen net als voegwoorden een logisch verband, maar maken volledig deel uit van de zin .

Signaalwoorden stem je ook af op de lezer: woorden als desalniettemin en immers zijn voor sommige lezers te moeilijk .

Verwijswoorden

Een verwijswoord verwijst naar iets wat eerder (of later) in de tekst genoemd is. Zo hoef je een woord niet steeds te herhalen.

  1. Persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden: hij, hem, zijn, zij, ze, haar, het. Welk verwijswoord juist is, hangt af van het woordgeslacht van het woord waarnaar je verwijst . Naar het-woorden zoals team en koor verwijs je met het of zijn; naar mannelijke de-woorden met hij, hem, zijn; naar vrouwelijke de-woorden zoals vereniging met zij, ze, haar .
  2. Aanwijzende voornaamwoorden: deze, die, dit, dat. Hun verwijzende functie is nadrukkelijker dan die van andere voornaamwoorden .
  3. Voornaamwoordelijke bijwoorden: ervan, daarover, hierbij, waarmee. Ze bestaan uit er, daar, hier of waar en een voorzetsel en verwijzen zoals voornaamwoorden .

Samengevat

  • Bouw: inleiding, midden, slot; titels en tussentitels als wegwijzers; alinea's met één onderwerp en een kernzin (meestal vooraan).
  • Signaalwoorden (verbindingswoorden, structuuraanduiders) tonen het verband: opsomming, tegenstelling, vergelijking, voorbeeld, reden/oorzaak/doel/gevolg, tijd, conclusie, voorwaarde.
  • Reden (menselijke wil): omdat, daarom. Oorzaak: doordat, daardoor (of omdat). Doel: om te, opdat. Gevolg: dus, zodat, waardoor.
  • Niet maar en echter samen.
  • Verwijswoorden: voornaamwoorden (hij, het, zijn, haar), aanwijzende voornaamwoorden (deze, die, dit, dat) en voornaamwoordelijke bijwoorden (ervan, daarover). Het woordgeslacht bepaalt het verwijswoord.

Test wat je onthouden hebt

Oefen meteen met de vragen en flashcards van deze les.

19 vragen 13 kaarten

Officiële doelen in deze les

Uit de minimumdoelen (LO_V2_0) en eindtermen (LO_V1_0) voor het lager onderwijs.

  • Minimumdoel 4de leerjaar · 1.1.12

    De leerlingen kunnen tonen dat ze de volgende tekstconventies begrijpen: gebruik van interpunctie, hoofdletters, structuuraanduiders (verwijs-, verbindings- en signaalwoorden), titels, tussentitels en alinea's.

  • Minimumdoel 6de leerjaar · 1.2.14

    De leerling kan een herkenbare en eenvoudige structuur aanbrengen in teksten met inbegrip van titels, tussentitels, alinea's en structuuraanduiders (verwijs, verbindings- en signaalwoorden).

  • Minimumdoel 4de leerjaar · 1.2.15

    De leerlingen kunnen structuur in een tekst aanbrengen: begin, midden en slot.

  • Eindterm · 6.5

    Met het oog op doeltreffende communicatie kunnen de leerlingen in voor hen relevante en concrete taalgebruikssituaties en op hun niveau bij de eindtermen Nederlands reflecteren op een aantal aspecten van het taalsysteem met betrekking tot:

    • klanken, woorden, zinnen, teksten;
    • spellingvormen;
    • betekenissen.

Bronnen

  1. 1

    Minimumdoelen lager onderwijs (LO_V2_0), einde 4de en 6de leerjaar · Vlaamse overheid, Departement Onderwijs en Vorming

    https://onderwijsdoelen.be/doelen/LO_V2_0

    Geraadpleegd op 15 oktober 2026

  2. 2

    Fiche 14: Wat is de plaats van leesstrategieën binnen begrijpend leesonderwijs? · Universiteit Antwerpen, inspiratiegids Les in lezen

    “Het meest effectief blijken een leesdoel bepalen vóór het lezen”

    https://medialibrary.uantwerpen.be/formulieren/asoe/Fiche%2014%20Wat%20is%20de%20plaats%20van%20leesstrategie%C3%ABn%20binnen%20begrijpend%20leesonderwijs.pdf

    Geraadpleegd op 15 oktober 2026

  3. 3

    Checklist duidelijke tekst · Genootschap Onze Taal

    “Staat aan het begin van de tekst (in de inleiding) meteen waarover de tekst gaat?”

    https://onzetaal.nl/taalloket/checklist-duidelijke-tekst

    Geraadpleegd op 15 oktober 2026

  4. 4

    Tussenkopjes (algemeen) · Genootschap Onze Taal

    “Tussenkopjes zijn de wegwijzers in je tekst.”

    https://onzetaal.nl/taalloket/tussenkopjes-algemeen

    Geraadpleegd op 15 oktober 2026

  5. 5

    Paragraaf- en hoofdstukindeling · Taaladvies.net (Nederlandse Taalunie)

    “Korte teksten, van een à twee A4’tjes, bevatten over het algemeen geen hoofdstukken of paragrafen, maar alleen alinea’s.”

    https://taaladvies.net/paragraaf-en-hoofdstukindeling/

    Geraadpleegd op 15 oktober 2026

  6. 6

    Alinea’s (Wat is een alinea?) · Genootschap Onze Taal

    “Een alinea is een verzameling zinnen die met elkaar samenhangen.”

    https://onzetaal.nl/taalloket/alineas

    Geraadpleegd op 15 oktober 2026

  7. 7

    Volgorde binnen de alinea · Taaladvies.net (Nederlandse Taalunie)

    “Normaal gesproken begint een alinea met de kernzin. De andere zinnen komen daarna.”

    https://taaladvies.net/volgorde-binnen-de-alinea/

    Geraadpleegd op 15 oktober 2026

  8. 8

    Signaalwoorden (lijst) · Genootschap Onze Taal

    “Signaalwoorden worden ook wel verbindingswoorden of structuuraanduiders genoemd.”

    https://onzetaal.nl/taalloket/signaalwoorden-lijst

    Geraadpleegd op 15 oktober 2026

  9. 9

    Signaalwoorden (wat zijn dat?) · Genootschap Onze Taal

    “Ze verbinden niet alleen zinnen, maar ook alinea’s met elkaar.”

    https://onzetaal.nl/taalloket/signaalwoorden-wat-zijn-het

    Geraadpleegd op 15 oktober 2026

  10. 10

    ANS 10.3.8 Voorwaardelijke voegwoorden · Algemene Nederlandse Spraakkunst (e-ANS), Instituut voor de Nederlandse Taal

    “10.3.8 Voorwaardelijke voegwoorden: als, wanneer, indien, ingeval, zo; mits, tenzij, tenware”

    https://e-ans.ivdnt.org/topics/pid/ans100308lingtopic

    Geraadpleegd op 15 oktober 2026

  11. 11

    ANS 10.2 Nevenschikkende voegwoorden · Algemene Nederlandse Spraakkunst (e-ANS), Instituut voor de Nederlandse Taal

    “want (causaliteit aanduidend); dus (gevolgaanduidend).”

    https://e-ans.ivdnt.org/topics/pid/ans1002lingtopic

    Geraadpleegd op 15 oktober 2026

  12. 12

    Daarom / daardoor · Taaladvies.net (Nederlandse Taalunie)

    “Het verschil zit hierin, dat een reden beïnvloed wordt door de menselijke wil, en een oorzaak niet.”

    https://taaladvies.net/daarom-of-daardoor/

    Geraadpleegd op 15 oktober 2026

  13. 13

    Omdat / doordat · Taaladvies.net (Nederlandse Taalunie)

    “Als er duidelijk sprake is van een reden, is alleen omdat juist.”

    https://taaladvies.net/omdat-of-doordat/

    Geraadpleegd op 15 oktober 2026

  14. 14

    ANS 10.3.7 Voegwoorden van doel · Algemene Nederlandse Spraakkunst (e-ANS), Instituut voor de Nederlandse Taal

    “opdat behoort tot de formele taal en komt ook daar niet veel voor.”

    https://e-ans.ivdnt.org/topics/pid/ans100307lingtopic

    Geraadpleegd op 15 oktober 2026

  15. 15

    Opdat / zodat · Genootschap Onze Taal

    “Zodat heeft nóg een betekenis, die opdat niet heeft: ‘met als gevolg dat’, ‘waardoor’.”

    https://onzetaal.nl/taalloket/opdat-zodat

    Geraadpleegd op 15 oktober 2026

  16. 16

    Echter / maar · Genootschap Onze Taal

    “Gebruik maar en echter niet in één zin, want dat is dubbelop.”

    https://onzetaal.nl/taalloket/echter-maar

    Geraadpleegd op 15 oktober 2026

  17. 17

    ANS 8.5 Voegwoordelijke bijwoorden · Algemene Nederlandse Spraakkunst (e-ANS), Instituut voor de Nederlandse Taal

    “Net als de voegwoorden leggen voegwoordelijke bijwoorden een logisch verband tussen twee zinnen of delen van zinnen.”

    https://e-ans.ivdnt.org/topics/pid/ans0805lingtopic

    Geraadpleegd op 15 oktober 2026

  18. 18

    Verwijswoorden: haar, zijn, hem, het, zij, hij · Genootschap Onze Taal

    “Welk verwijswoord juist is, hangt af van het woordgeslacht van het woord waarnaar je verwijst.”

    https://onzetaal.nl/taalloket/verwijswoorden

    Geraadpleegd op 15 oktober 2026

  19. 19

    ANS 5.6.1 Aanwijzende voornaamwoorden, inleiding · Algemene Nederlandse Spraakkunst (e-ANS), Instituut voor de Nederlandse Taal

    “Aanwijzende voornaamwoorden hebben een verwijzende functie die, in het algemeen gesproken, nadrukkelijker is dan die van de andere voornaamwoorden.”

    https://e-ans.ivdnt.org/topics/pid/ans050601lingtopic

    Geraadpleegd op 15 oktober 2026

  20. 20

    ANS 8.7.1.1 Voornaamwoordelijke bijwoorden, inleidende opmerkingen · Algemene Nederlandse Spraakkunst (e-ANS), Instituut voor de Nederlandse Taal

    “Deze samengestelde bijwoorden hebben een met voornaamwoorden vergelijkbare verwijzende functie”

    https://e-ans.ivdnt.org/topics/pid/ans08070101lingtopic

    Geraadpleegd op 15 oktober 2026

Zie je een fout of iets dat niet klopt met de bron? Meld het ons