- Een cijfer is een symbool (0 tot 9); een getal is een waarde, genoteerd met één of meer cijfers.
- Getallen duiden een aantal, een rangorde of een code aan.
- In ons tientallig positiestelsel bepaalt de plaats van een cijfer zijn waarde; elke plaats is tien keer de plaats rechts ervan.
- Ken de afkortingen E, T, H, D, TD, HD, M, TM, HM, Md en de waarde van elk cijfer tot 10 miljard.
- Schrijf grote getallen met een spatie per groep van drie cijfers; in letters aaneen tot duizend, spaties rond miljoen en miljard.
- Miljoen en miljard gebruik je als eenheid: 8,2 miljard = 8 200 000 000.
- Vergelijk eerst het aantal cijfers, daarna cijfer per cijfer van links naar rechts.
- Romeinse cijfers vormen een additief stelsel zonder nul.
Samenvattingen
Alles op een rij, om te herhalen
De kernpunten van elke les, per domein en hoofdstuk. De bronnen staan in de volledige lessen.
Wiskunde
Getallenkennis
- Negatieve getallen zijn kleiner dan 0 en hebben een minteken: −5 lees je "min vijf".
- Natuurlijke getallen en negatieve getallen samen vormen de gehele getallen.
- Op de getallenas staan negatieve getallen links van 0; het rechtse getal is altijd het grootste.
- Bij negatieve getallen geldt: hoe verder van 0, hoe kleiner (−20 < −2).
- In België geldt de afspraak dat 0 zowel positief als negatief is.
- De afstand tussen een positief en een negatief getal bepaal je met een tussenstap via 0 (van 4 naar −2: 4 + 2 = 6).
- Contexten: temperatuur, lift, zeespiegel, saldo. Rekenen met negatieve getallen hoort niet bij de lagere school.
- Kommagetallen (decimale getallen) breiden het plaatswaardesysteem uit met t (0,1), h (0,01) en d (0,001).
- De rangen staan symmetrisch rond de eenheden, niet rond de komma.
- Lees volgens de plaatswaarde: 3,14 is 3 en 14 honderdsten.
- Vergelijk rang per rang na de komma; nullen achteraan veranderen de waarde niet (0,5 = 0,50).
- Vermijd de kommascheidingsfout: 0,3 > 0,12 en 3,14 + 2,4 = 5,54.
- Ken paraat: = 0,5; = 0,25; = 0,75; = 0,2; = 0,1; = 0,01.
- Sommige breuken geven een repeterend kommagetal, zoals = 0,333...
- Teller (boven), noemer (onder), breukstreep; de noemer geeft het aantal gelijke delen, de teller hoeveel je er neemt.
- Een breuk is een deel van een geheel (continu, aantal of getal), een operator, een deling, een verhouding, een getal en een kans.
- Een breuk is een deling: = 3 : 4. Een natuurlijk getal kan je als oneigenlijke breuk schrijven.
- Gelijkwaardige breuken: teller en noemer met hetzelfde getal vermenigvuldigen of delen.
- Vereenvoudigen in één stap: deel door de ggd. Gelijknamig maken: gebruik het kgv van de noemers.
- Vergelijken via vereenvoudigen, referentiepunten (, 1), tellers en noemers, of gelijknamig maken.
- Bij gelijke tellers is de breuk met de kleinste noemer de grootste.
- Een procent is een honderdste: 35% = = 0,35.
- Ken paraat: = 50%, = 25%, = 75%, = 20%, = 10%, = 1%.
- Procent naar kommagetal: delen door 100. Kommagetal naar procent: vermenigvuldigen met 100.
- Procenten rond je af tot op een eenheid: ≈ 67%.
- Een verhouding vergelijkt twee hoeveelheden (3 : 1); onderscheid deel-deel en deel-geheel.
- Een verhoudingstabel lost "hoeveel voor ..."-vragen op door beide rijen met hetzelfde getal te bewerken.
- Een absolute vergelijking kijkt naar aantallen, een relatieve naar het deel van het geheel.
- Deelbaar betekent rest 0. Als 4 een deler is van 36, is 36 een veelvoud van 4.
- Kenmerken: 2, 5, 10 (laatste cijfer); 4, 25, 100 (laatste twee cijfers); 8, 1000 (laatste drie cijfers); 3 en 9 (cijfersom); 6 = 2 en 3.
- De rest bij deling door 9 of 3 is de rest van de cijfersom.
- Een priemgetal heeft precies twee delers. 1 is geen priemgetal, 2 is het enige even priemgetal.
- Elk getal groter dan 1 heeft één ontbinding in priemfactoren.
- ggd: grootste gemeenschappelijke deler (vereenvoudigen, verdelen). kgv: kleinste gemeenschappelijk veelvoud (gelijknamig maken, samenvallen).
- ggd × kgv = product van de twee getallen.
Bewerkingen
- Optellen en aftrekken: oorzaak-verandering, combinatie, vergelijking.
- Vermenigvuldigen: keerhandeling, rooster, vergelijking, combinatie.
- Delen: verdelingsdeling (hoe groot is elk deel?) en verhoudingsdeling (hoeveel keer past het?); opgaand of niet-opgaand.
- Vaktermen: termen en som; aftrektal, aftrekker en verschil; factoren (vermenigvuldiger, vermenigvuldigtal) en product; deeltal, deler, quotiënt en rest.
- D = d × q + r, met de rest kleiner dan de deler. Delen door 0 kan niet.
- Optellen en aftrekken, vermenigvuldigen en delen zijn elkaars inverse; dat gebruik je om te controleren en om ontbrekende getallen te zoeken.
- Splitsingen tot 10, optellingen tot 20 en de tafels moeten paraat zijn.
- Commutatief (van plaats wisselen) en associatief (schakelen): optellen en vermenigvuldigen wel, aftrekken en delen niet.
- Distributief (splitsen en verdelen): vermenigvuldigen over optellen en aftrekken; bij delen enkel het deeltal splitsen.
- Neutraal element: 0 bij optellen, 1 bij vermenigvuldigen. Opslorpend element: 0 bij vermenigvuldigen.
- Constante som, constant verschil, constant product en constant quotiënt (de rest verandert wel mee).
- Een factor of de deler mag je ontbinden: × 12 = × 3 × 4; : 12 = : 3 : 4.
- Volgorde: haakjes, machten, × en : van links naar rechts, + en − van links naar rechts.
- Het gelijkheidsteken betekent "is gelijk aan", geen "en dan".
- Hoofdrekenen: flexibel kiezen tussen een standaardprocedure en handig rekenen, en je keuze kunnen verantwoorden.
- Standaard: tweede term splitsen (+, −), herhaalde optelling of distributiviteit (×), sprongen tellen of deeltal splitsen (:).
- Kommagetallen: denk in rangen (0,6 × 3 = 18 t; 0,08 : 2 = 4 h).
- Handig: aanvullen, compenseren, eigenschappen gebruiken, een factor ontbinden.
- × 10, 100, 1 000: cijfers schuiven naar links; × 0,1 = : 10 en : 0,1 = × 10.
- × 5 = × 10 : 2; × 25 = × 100 : 4; × 50 = × 100 : 2; × 4 en × 8 = 2 of 3 keer verdubbelen.
- × 0,5 = : 2; : 0,5 = × 2; : 0,2 = × 5.
- Kommagetallen omzetten naar breuken maakt vermenigvuldigen en delen inzichtelijk.
- Cijferen is onder elkaar rekenen volgens vaste algoritmes, gebaseerd op het plaatswaardesysteem.
- Optellen en aftrekken: gelijke rangen (komma onder komma) onder elkaar, rechts beginnen, onthouden of lenen.
- Vermenigvuldigen: deelproducten per cijfer van de vermenigvuldiger optellen; het product heeft evenveel decimalen als beide factoren samen.
- Delen: rang per rang schatten, vermenigvuldigen, aftrekken, bijhalen; vergeet de 0 in het quotiënt niet.
- Is de deler een kommagetal, vermenigvuldig dan deeltal en deler met dezelfde macht van tien.
- Schat vooraf en controleer achteraf.
- Afronden: kijk naar het cijfer direct rechts van de afrondingsrang; 0 tot 4 naar beneden, 5 tot 9 naar boven.
- Rond af op tienduizendtal, honderdduizendtal, miljoental en miljardtal; kommagetallen tot op t, h of d; procenten tot op een eenheid.
- De context kan bepalen dat je altijd naar boven (bussen) of naar beneden (volle doosjes) afrondt.
- Schatten: afronden naar handige getallen, compenserend afronden, de komma plaatsen; noteer met ≈.
- Rekenmachine: voor complexe berekeningen, procenten en controle; de rest vind je via quotiënt × deler.
- Controleer met de omgekeerde bewerking, een schatting, een rekenmachine of de negenproef (die niet waterdicht is).
- Gelijknamige breuken: tellers optellen of aftrekken, noemer behouden. Nooit de noemers optellen.
- Ongelijknamige breuken: eerst gelijknamig maken met het kgv van de noemers.
- Een breuk van een getal: delen door de noemer, vermenigvuldigen met de teller; 'van' betekent 'maal'.
- Breuk × breuk: teller × teller en noemer × noemer; schematisch met het rechthoekmodel.
- Breuk : natuurlijk getal: teller delen of noemer vermenigvuldigen.
- Delen door een breuk: vermenigvuldigen met het omgekeerde van de deler.
- Vereenvoudig waar het kan, liefst vóór het vermenigvuldigen.
- Een procent van een getal is een vermenigvuldiging: 40% van 450 = 0,4 × 450 = 180.
- Werk via een breuk (25% = ), een kommagetal (40% = 0,4), via 1% of 10%, of met de verhoudingstabel.
- Hoeveel procent: deel over geheel, omzetten naar honderdsten.
- Het geheel zoeken: van het procent terugrekenen naar 1% of 5% en dan naar 100%.
- Toename en afname: vermenigvuldig met een factor (10% erbij = × 1,1; 20% korting = × 0,8).
- Een prijs zonder btw vind je door te delen door 1,21, niet door 21% af te trekken.
- Percentages niet zomaar optellen; 20% erbij en 20% eraf is 4% minder.
Meten en metend rekenen
- Je meet een grootheid. Maat = maatgetal + maateenheid. Hoe kleiner de eenheid, hoe groter het maatgetal.
- Het metriek stelsel en het SI zijn decimaal opgebouwd met voorvoegsels: kilo (1 000), hecto (100), deca (10), deci (0,1), centi (0,01), milli (0,001).
- Lengtematen: factor 10 per stap. Oppervlaktematen: factor 100 per stap, twee kolommen per eenheid in de tabel.
- 1 ha = 1 hm² = 10 000 m², 1 a = 1 dam² = 100 m², 1 ca = 1 m², 100 ha = 1 km².
- Schrijf een spatie tussen getal en eenheid, geen punt na een symbool en een komma als decimaalteken.
- Schat met referentiematen, meet indirect waar nodig en ken het verschil tussen verhoudingsmeting en intervalmeting.
- Omtrek = lengte van de rand (eendimensionaal); oppervlakte = grootte van het gebied (tweedimensionaal).
- Omtrek veelhoek = som van de zijden; omtrek cirkel = met .
- Rechthoek ; vierkant ; parallellogram ; driehoek .
- Ruit en vlieger ; trapezium ; regelmatige veelhoek omtrek ; cirkel .
- Elke formule volgt uit omstructureren naar een rechthoek of parallellogram; de hoogte staat loodrecht op de basis.
- Inhoud = hoeveel een recipiënt kan bevatten; volume = ruimte die een voorwerp inneemt (driedimensionaal).
- Inhoudsmaten (kl tot ml): factor 10 per stap. Volumematen (km³ tot mm³): factor 1 000 per stap, drie kolommen per eenheid.
- 1 l = 1 dm³, 1 ml = 1 cm³, 1 m³ = 1 000 l.
- Volume balk , kubus , cilinder : telkens grondvlak × hoogte.
- Oppervlakte van een ruimtefiguur = som van de oppervlakten van de grensvlakken.
- Massa (in kg) is een eigenschap van het voorwerp; gewicht is een kracht die van de plaats afhangt.
- Massamaten: t, kg, hg, dag, g, dg, cg, mg. Van kg tot mg telkens × 10; 1 t = 1 000 kg.
- Voor water: 1 ml = 1 cm³ = 1 g, 1 l = 1 dm³ = 1 kg, 1 m³ = 1 000 l = 1 t.
- Bruto = netto + tarra. Bruto is de totale massa, netto het product, tarra de verpakking.
- Zet alle massa's in dezelfde eenheid voor je rekent.
- 1 euro = 100 cent. Munten: 1, 2, 5, 10, 20, 50 cent, 1 en 2 euro. Biljetten: 5 tot 200 euro (500 euro wordt niet meer uitgegeven).
- Noteer bedragen als € 48,95; contante betalingen worden in België afgerond op 5 cent.
- Winst = verkoopprijs − inkoopprijs; verlies = inkoopprijs − verkoopprijs.
- Nieuwe prijs = oude prijs − korting; het kortingspercentage gaat uit van de oude prijs.
- Een percentage verwijst altijd naar een referentiebedrag van 100%: zoek dat eerst.
- Enkelvoudige interest = kapitaal × rentevoet × aantal jaren.
- 1 d = 24 h, 1 h = 60 min = 3 600 s, 1 kwartier = 15 min. Tijd is niet decimaal: 1,5 h = 1 h 30 min.
- Schrijf 20.30 uur (uur of u. achter de cijfers). Bereken een tijdsduur door aan te vullen.
- 31 dagen: jan, mrt, mei, jul, aug, okt, dec; 30 dagen: apr, jun, sep, nov; februari 28 of 29.
- Schrikkeljaar: deelbaar door 4, behalve eeuwjaren die niet deelbaar zijn door 400.
- Trimester 3 maanden, semester 6 maanden, decennium 10, eeuw 100, millennium 1 000 jaar. 1914 ligt in de 20ste eeuw.
- 0 °C: vriespunt van water; 100 °C: kookpunt. Temperatuurverschillen bereken je over nul heen. Temperatuur en tijdstip zijn intervalmetingen.
- Samengestelde grootheden zoals schaal en snelheid zijn verhoudingen; een verhoudingstabel helpt bij elke berekening.
- Schaal = getekende afstand : werkelijke afstand, in dezelfde eenheid. 1 : 25 000 betekent 1 cm is 250 m.
- Breukschaal (1 : 50 000) en lijnschaal (getekend balkje). 1 : X is een verkleining, X : 1 een vergroting.
- Snelheid = afstand : tijd; afstand = snelheid × tijd; tijd = afstand : snelheid.
- 1 m/s = 3,6 km/h. Reken minuten om naar delen van een uur (45 min = 0,75 h).
- Gemiddelde snelheid = totale afstand : totale tijd.
- Een hoek bestaat uit een hoekpunt en twee benen; notatie of .
- 1° is de hoek die negentig keer in een rechte hoek past. Recht 90°, gestrekt 180°, vol 360°. Geen spatie voor °.
- Scherp: kleiner dan 90°; recht: 90°; stomp: tussen 90° en 180°.
- Meet met de geodriehoek: nulpunt op het hoekpunt, nullijn langs een been, schaal die bij 0° begint, en controleer met een schatting.
- Overstaande hoeken zijn gelijk; naast elkaar liggende hoeken bij snijdende rechten zijn samen 180°.
- Hoekensom driehoek 180°, vierhoek 360°.
Meetkunde
- Punt A, rechte a, halfrechte [AB, lijnstuk [AB], driehoek ABC. Een rechte is onbegrensd, een lijnstuk begrensd.
- Rechten zijn evenwijdig (∥), snijdend (∦) of loodrecht (⊥, snijdend onder 90°).
- Een definitie bepaalt wat tot een verzameling hoort; een eigenschap geldt voor alle elementen ervan.
- Driehoeken: scherphoekig, rechthoekig, stomphoekig; ongelijkbenig, gelijkbenig, gelijkzijdig. Elke gelijkzijdige driehoek is gelijkbenig.
- Een regelmatige veelhoek heeft gelijke zijden én gelijke hoeken. Een diagonaal verbindt twee niet-aangrenzende hoekpunten.
- Cirkel: middelpunt, straal, diameter = 2 × straal. Passeropening = straal.
- Trapezium: minstens één paar evenwijdige zijden. Parallellogram: twee paar; diagonalen delen elkaar middendoor.
- Rechthoek: vier rechte hoeken; diagonalen even lang; twee symmetrieassen (door de middens van de zijden).
- Ruit: vier gelijke zijden; diagonalen loodrecht en symmetrieassen.
- Vierkant: rechthoek én ruit; vier symmetrieassen. Vlieger: twee paar gelijke aanliggende zijden, loodrechte diagonalen.
- Hoe meer eigenschappen, hoe kleiner de verzameling: elk vierkant is een rechthoek, ruit, parallellogram, trapezium en vlieger.
- Een tegenvoorbeeld volstaat om een "alle"-uitspraak te weerleggen.
- Zijvlak, grondvlak, ribbe, hoekpunt, gebogen oppervlak en ontvouwing zijn de kernbegrippen.
- Veelvlakken (alleen vlakke veelhoeken): kubus en balk (6 vlakken, 12 ribben, 8 hoekpunten), prisma, piramide.
- Lichamen met een gebogen oppervlak: cilinder, kegel, bol.
- Vlakken + hoekpunten − ribben = 2 bij veelvlakken als kubus, balk, prisma en piramide.
- Een kubus heeft 11 ontvouwingen; nooit een 2 bij 2-blok of vijf vierkanten op een rij.
- Cilinderontvouwing: twee cirkels en een rechthoek met lengte = omtrek van de cirkel.
- Roostercoördinaten (D5) benoemen een vakje: eerst kolom, dan rij.
- Puntcoördinaten (3,4) leggen een punt vast in een assenstelsel: eerst de horizontale as, dan de verticale as. De oorsprong is (0,0).
- Een aanzicht is een 2D-voorstelling van een 3D-figuur: vooraanzicht, zijaanzicht, bovenaanzicht.
- Een grondplan is een bovenaanzicht met het aantal blokjes per vakje; daarmee bouw je een bouwsel exact na.
- Kijklijnen verbinden het oog met de rand van een voorwerp; hun snijpunt helpt de plaats van de waarnemer te bepalen.
- Wie tegenover je staat, ziet links en rechts omgekeerd.
- Origineel en beeld. Verschuiving: zelfde richting en afstand; draaiing: rond een draaipunt over een hoek; spiegeling: om een spiegelas, loodrecht en op gelijke afstand.
- Verschuiving, draaiing en spiegeling leveren congruente figuren op; een spiegeling keert de oriëntatie om.
- Symmetrie: een spiegeling die de figuur op zichzelf afbeeldt. Vierkant 4 assen, rechthoek 2, ruit 2, gelijkzijdige driehoek 3, cirkel oneindig veel, parallellogram 0.
- Congruent: zelfde vorm en grootte. Gelijkvormig: zelfde vorm, eventueel andere grootte.
- Vergroten en verkleinen: alle lengtes × dezelfde factor, hoeken blijven gelijk. Bij factor 2 wordt de oppervlakte 4 keer zo groot.
- Een verzameling bestaat uit elementen; een element behoort er wel of niet toe. Een deelverzameling ligt volledig in een andere verzameling.
- Venndiagram: doorsnede = gemeenschappelijk gebied (en), vereniging = alles samen (of), buiten de cirkel = niet.
- In de wiskunde betekent "of" minstens één van beide, en "sommige" minstens één.
- Alle, sommige, geen, niet alle, juist één, ten minste, ten hoogste hebben een precieze betekenis.
- Een als-dan-uitspraak omkeren geeft niet automatisch een ware uitspraak.
- Eén tegenvoorbeeld weerlegt een "alle"-uitspraak. Classificeren kan met venndiagram, kruistabel of boomdiagram.
Kansrekenen en statistiek
- Tabel, beelddiagram, staafdiagram, lijngrafiek en cirkeldiagram tonen gegevens elk op een eigen manier; let op de horizontale en verticale as.
- Cirkeldiagram: geheel = 100% = 360°; hoek = aandeel × 360°; 25% = 90°, 1% = 3,6°.
- Een lijngrafiek toont meestal een verloop in de tijd; grafieken met twee grootheden tonen een verband.
- Gemiddelde = som : aantal (gelijke verdeling). Mediaan = middelste waarde na ordenen. Modus = vaakst voorkomende waarde. Spreidingsbreedte = grootste − kleinste.
- Uitschieters beïnvloeden het gemiddelde, niet de mediaan. Bekijk grafieken kritisch: begint de as bij nul?
- Een kansexperiment heeft mogelijke uitkomsten; de uitkomsten waarin je geïnteresseerd bent, zijn de gunstige uitkomsten.
- Kans = aantal gunstige uitkomsten : aantal mogelijke uitkomsten, als alle uitkomsten even waarschijnlijk zijn.
- Een kans schrijf je als breuk, kommagetal of procent, altijd tussen 0 (onmogelijk) en 1 of 100% (zeker).
- Kansen vergelijk je door ze in dezelfde vorm te zetten.
- Bij ongelijke vakken of voorwerpen is niet elke uitkomst even waarschijnlijk.
- Een kans zegt iets over een lange reeks herhalingen, niet over één worp.
Vraagstukken en probleemoplossend denken
- Pólya: begrijpen, plan maken, plan uitvoeren, terugblikken.
- Onderscheid gegeven en gevraagde, negeer overbodige gegevens en controleer of het antwoord mogelijk is.
- Heuristieken: tekening, schema of tabel, patroon, gissen en missen, analogie, opsplitsen, vereenvoudigen.
- Recht evenredig: verhouding constant (verhoudingstabel, regel van drie). Omgekeerd evenredig: product constant.
- Ongelijke verdeling: met som en verschil eerst het verschil wegnemen; met som en verhouding eerst het aantal delen bepalen.
- Mengsel: totale prijs : totale hoeveelheid. Absoluut vergelijken gaat over aantallen, relatief over verhoudingen.
Nederlands
Spelling
- Spelling volgt de standaarduitspraak, gelijkvormigheid en etymologie.
- Een open lettergreep eindigt op een klinker, een gesloten lettergreep op een medeklinker.
- aa, ee, oo, uu: dubbel in een gesloten, enkel in een open lettergreep (uitzonderingen: zee, goochelaar, ruw).
- Na een korte klinker verdubbel je de medeklinker als er een klinker volgt (bal, ballen), maar niet na een doffe e (tekenen).
- Eindletter b/d/g bepaal je door te verlengen; aan het woordeinde schrijf je altijd f en s, nooit v en z.
- ei/ij en au/ou zijn onthoudwoorden.
- Stam = infinitief min -en, met de gewone spellingregels; een stam eindigt nooit op v of z.
- Ik + stam; jij, u, hij, zij, het + stam + t; meervoud = infinitief.
- Stam op t: geen extra t (hij zet). Stam op d: + t (hij wordt).
- Staat je of jij als onderwerp achter de persoonsvorm, dan valt de t weg (word jij), maar niet bij je broer of u.
- Zijn, hebben, kunnen, zullen, willen en mogen zijn onregelmatig.
- Gebiedende wijs = stam (Word wakker!), met u: stam + t (Komt u binnen.).
- Zwak werkwoord: stam + te(n) als de stam eindigt op een klank uit 't kofschip (t, k, f, s, ch, p, ook x en sj), anders stam + de(n).
- Bij leven en verhuizen telt de v- en z-klank: leefde, verhuisde.
- Sterk werkwoord: klinkerwissel, geen uitgang in het enkelvoud (vond), meervoud + en (vonden).
- Voltooid deelwoord zwak: ge + stam + t/d, zoals de verleden tijd; geen dubbele t of d achteraan; geen ge- na be-, er-, ge-, her-, ont-, ver-.
- Bijvoeglijk gebruikt: verbuig het voltooid deelwoord (de geplande uitstap, het verhuisde gezin).
- Toekomende tijd: zullen + infinitief.
- De meeste woorden: meervoud op -en, met de gewone regels (bomen, bruggen, huizen).
- -s na onbeklemtoond -el, -em, -en, -er, na -aar, -erd en bij verkleinwoorden.
- -'s na een lange klinker die je met één letter schrijft: auto's, menu's.
- -eren bij een kleine groep: kinderen, eieren, bladeren.
- Trema: zeeën, kopieën (beklemtoond -ieën), bacteriën (onbeklemtoond -iën).
- Latijnse meervouden: musea, centra, naast museums, centrums.
- Verkleinwoord: -je, -tje, -etje, -pje, -kje volgens de laatste klank; onregelmatig: glaasje, scheepje, jongetje.
- Hoofdletter aan het begin van een zin; na een beginapostrof krijgt het volgende woord de hoofdletter ('s Avonds).
- Eigennamen groot, soortnamen klein.
- Afleidingen van aardrijkskundige namen houden de hoofdletter (Belgisch, Leuvenaar), behalve producten (een bordeaux).
- Talen en dialecten: het Nederlands, het Antwerps.
- Officiële feestdagen en unieke historische gebeurtenissen groot; dagen, maanden, seizoenen en periodes klein.
- Instanties, bedrijven, gebouwen en merken groot, tenzij de naamgever anders schrijft of het merk een soortnaam werd (een spa).
- Titels: alleen het eerste woord en eigennamen.
- Punt, vraagteken, uitroepteken sluiten een zin af; geen spatie voor een leesteken.
- Komma: geen komma voor en in een opsomming, wel tussen twee persoonsvormen, meestal na een vooropgeplaatste bijzin en voor maar en want.
- Hoofdletter na een dubbele punt alleen bij een citaat of een opsomming van volledige zinnen.
- Aanhalingstekens rond een citaat; haakjes voor een toevoeging.
- Trema bij klinkerbotsing in afleidingen en verbogen vormen, koppelteken bij klinkerbotsing in samenstellingen.
- Apostrof bij weglating, bij -'s na een lange klinker en bij sommige bezitsvormen.
- Echte afkorting met punten; initiaalwoord en letterwoord zonder punten.
- Een samenstelling bestaat uit twee zelfstandige woorden; het rechterdeel is het hoofd en bepaalt woordsoort en geslacht.
- Samenstellingen en afleidingen schrijf je aaneen, woordgroepen los; klemtoon en betekenis helpen het verschil zien.
- Met een initiaalwoord een koppelteken (tv-programma), met een letterwoord aaneen (pincode).
- Verplicht koppelteken bij klinkerbotsing (zee-egel) en bij een hoofdletter op de grens (anti-Amerikaans).
- Tussen-n als het linkerdeel een meervoud op -en heeft (boekenkast), anders -e- (rodekool, aspergesoep); uitzonderingen met hel, maan, zon.
- Tussen-s schrijf je als je ze hoort (dorpskern); een s van het linkerdeel blijft staan (fietsslot).
- Leenwoorden behouden vaak de spelling van hun herkomsttaal (etymologisch principe).
- Moeilijke plekken: t als s (station), c als s of k (concert, accu), x (examen), ou als oe (journaal), ea als ie (team).
- In open lettergrepen zonder klemtoon schrijf je i (fabrikant), in -isch altijd i.
- Bij verbuiging van -ieel krijg je een trema: officiële, financiële; bij -ueel niet: actuele.
- Latijnse en Griekse vakwoorden: fauna, flora, fotografie, aquarium, thermometer.
- Twijfel? Raadpleeg de Woordenlijst Nederlandse Taal.
Grammatica
- Tien woordsoorten: werkwoord, zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, voornaamwoord, bijwoord, lidwoord, telwoord, voegwoord, voorzetsel, tussenwerpsel.
- Zelfstandig naamwoord: soortnaam of eigennaam, enkelvoud of meervoud, genus; lidwoorden de, het (bepaald) en een (onbepaald).
- Trappen van vergelijking: stellende, vergrotende (-er), overtreffende (-st); onregelmatig: goed, beter, best.
- Telwoorden: hoofd- en rangtelwoorden, bepaald of onbepaald.
- Voegwoorden: nevenschikkend (en, maar, want) of onderschikkend (omdat, dat, toen).
- De functie in de zin bepaalt de woordsoort.
- Een voornaamwoord verwijst zonder de naam te noemen; er zijn negen soorten.
- Persoonlijk: onderwerpsvorm (ik, zij) tegenover niet-onderwerpsvorm (mij, hen, hun); hun is nooit onderwerp.
- Bezittelijk: mijn, jouw, uw, zijn, haar, ons/onze, jullie, hun.
- Aanwijzend: dit, dat (het-woorden), deze, die (de-woorden en meervoud).
- Betrekkelijk: die bij de-woorden en meervoud, dat bij het-woorden.
- Wederkerend (zich) tegenover wederkerig (elkaar).
- De functie in de zin bepaalt de soort.
- Werkwoordsvormen: infinitief, stam, uitgang, persoonsvorm, voltooid deelwoord, gebiedende wijs.
- De gebiedende wijs is de ik-vorm (Loop door!), met u stam + t (Gaat u zitten!).
- Hulpwerkwoorden van tijd (hebben, zijn, zullen), van de lijdende vorm (worden, zijn) en modale (kunnen, moeten, mogen, willen).
- Negen koppelwerkwoorden: zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen, heten, dunken, voorkomen.
- Acht tijden; alleen ott en ovt hebben een eigen vorm.
- Voltooid = met voltooid deelwoord; tegenwoordig of verleden hangt af van de persoonsvorm.
- Een zinsdeel is een deel met een eigen functie; je vindt het met de verplaatsingsproef.
- Volgorde: persoonsvorm, gezegde, onderwerp, lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp, bepalingen.
- Pv: tijdproef of vraagproef. Ow: getalproef of wie/wat + gezegde?
- Wg: alle werkwoorden. Ng: koppelwerkwoord + naamwoordelijk deel; dan geen lijdend voorwerp.
- Lv: wie/wat + gezegde + onderwerp? Mv: aan/voor wie ...?
- Bwb: tijd, plaats, wijze, reden, frequentie, ontkenning.
- Soorten zinnen naar bedoeling: mededelend (punt), vragend (vraagteken), uitroepend (uitroepteken), gebiedend (gebiedende wijs).
- Een ontkennende zin bevat een ontkenningswoord als niet, nooit, geen, niemand, niets.
- Enkelvoudige zin: één hoofdzin, één persoonsvorm. Samengestelde zin: meerdere deelzinnen en persoonsvormen.
- Bijzin: persoonsvorm achteraan, kan niet zelfstandig staan, is een zinsdeel (of een deel van een zinsdeel) van een grotere zin.
- Nevenschikking: hoofdzin + hoofdzin (en, maar, want, dus, of). Onderschikking: hoofdzin + bijzin (dat, omdat, toen, als of een betrekkelijk voornaamwoord).
- Komma tussen twee persoonsvormen en meestal na een vooropgeplaatste bijzin.
Woordenschat en taalgebruik
- Grondwoord + voor- of achtervoegsel = afleiding; twee zelfstandige woorden = samenstelling.
- Woordleerstrategieën: context, woordopbouw, vergelijken met een bekend woord, vreemde talen, hulpbronnen.
- Synoniem (zelfde betekenis), antoniem (tegengestelde betekenis), homoniem (zelfde vorm, andere betekenis), hyponiem en hyperoniem (enger en ruimer begrip).
- Figuurlijk: vergelijking (expliciet), metafoor (impliciet), personificatie (menselijke eigenschappen).
- Gezegde: woordgroep met figuurlijke betekenis, vervoegbaar. Spreekwoord: vaste volledige zin met een levenswijsheid.
- Standaardtaal: algemeen bruikbaar in het publieke domein; dialect: regionale variëteit; tussentaal: informele Vlaamse spreektaal tussen dialect en standaardtaal (ge, -ke, nen).
- Jongerentaal (leeftijd) en vaktaal (beroep) zijn sociale variëteiten.
- Taal wordt beïnvloed door plaats, cultuur, leeftijd en beroep.
- Register: formeel (u, standaardtaal, volledige zinnen) tegenover informeel (jij, spreektaal).
- Communicatiemodel: zender, boodschap, kanaal/medium, ontvanger; uitgebreid met doel en effect.
- Non-verbaal: mimiek, gebaren, lichaamshouding, oogcontact, intonatie.
- Het Nederlands evolueerde van Oudnederlands (Hebban olla vogala, ca. 1100) via Middelnederlands naar Nieuwnederlands.
- Taal verandert door leenwoorden (bureau, computer), spellingwijzigingen (Groene Boekje) en betekenisverschuiving.
- Informatiebronnen: orale vertelcultuur → schrift → boekdrukkunst → radio → televisie → digitale media.
- Het Nederlands is een West-Germaanse, Indo-Europese taal, verwant met Engels en Duits.
- Schriften: alfabet (Latijns, Grieks, Cyrillisch), abjad (Arabisch), lettergrepenschrift (kana), logografisch (Chinees).
Lezen en tekstbegrip
- Technisch lezen (correct en vlot verklanken) is een voorwaarde voor begrijpend lezen, geen doel op zich.
- Vlot lezen: accuraat en geautomatiseerd. Vloeiend lezen: accuraat, gepast tempo en prosodie (woordgroepen, pauzes, intonatie, klemtoon). Eerst vlot, dan vloeiend.
- Vloeiend lezen is de brug naar begrijpend lezen. Expressief lezen is een doel van het 6de leerjaar.
- Morfologisch bewustzijn (grondwoord, voor- en achtervoegsel, samenstelling) helpt om onbekende woorden te lezen; leenwoorden vragen extra aandacht.
- AVI meet tekstlezen hardop (AVI-Start tot AVI-Plus), DMT het lezen van losse woorden. Groep 3 = 1ste leerjaar.
- Leesmotivatie groeit met autonomie, verbondenheid en competentie.
- Een leesstrategie is een mentaal instrument om het leesproces te ondersteunen, te bewaken of te verbeteren. Strategieën zijn een middel, geen doel.
- Een leesdoel vooraf en samenvatten achteraf zijn de krachtigste strategieën.
- Voor: oriënteren (voorspellen, tekstsoort, leesdoel, voorkennis). Tijdens: vragen stellen, afleiden, begrip bewaken en herstellen. Na: samenvatten, memoriseren, beoordelen of het doel bereikt is.
- Leer strategieën geïntegreerd en door hardop te modelleren, niet geïsoleerd.
- Een inferentie is een verband dat de lezer zelf legt omdat het niet expliciet in de tekst staat.
- De kernzin vat de alinea samen (meestal vooraan); details kleuren in. De kernzinnen samen leiden naar de hoofdgedachte.
- Het leesdoel bepaalt de leeswijze.
- Oriënterend: is de tekst bruikbaar? (titel, tussentitels, inleiding, slot, achterflap, inhoudstafel)
- Globaal: waarover gaat het ongeveer? (ELZA: eerste en laatste zin van elke alinea)
- Intensief: hoofdzaken, bijzaken en verbanden (sleutelwoorden, signaalwoorden).
- Zoekend: één gegeven vinden (scannen), bijvoorbeeld in een tabel of register.
- Studerend: onthouden (combinatie van leeswijzen, schema, samenvatting, overhoren).
- Kritisch: een eigen oordeel vormen (feit of mening, betrouwbaarheid). Genietend: ontspannen.
- Een tekstsoort is een type tekst met gemeenschappelijke kenmerken in vorm, inhoud en bedoeling.
- Tekstdoelen: informeren, instructie geven, overtuigen (betogend), aanzetten tot actie (wervend), amuseren of laten genieten.
- Betoog: één standpunt verdedigen. Beschouwing: verschillende kanten afwegen tot een gewogen oordeel.
- Kenmerken: instructie (bevelende vorm, volgorde, nummers), nieuwsbericht (belangrijkste eerst, vijf W's), reclame (AIDA).
- Tekstconventies: inhoudsopgave (vooraan, hoofdstukken), index (trefwoorden met paginanummers), legende (symbolen van een kaart), tabel, diagram, titels en tussentitels.
- Bouw: inleiding, midden, slot; titels en tussentitels als wegwijzers; alinea's met één onderwerp en een kernzin (meestal vooraan).
- Signaalwoorden (verbindingswoorden, structuuraanduiders) tonen het verband: opsomming, tegenstelling, vergelijking, voorbeeld, reden/oorzaak/doel/gevolg, tijd, conclusie, voorwaarde.
- Reden (menselijke wil): omdat, daarom. Oorzaak: doordat, daardoor (of omdat). Doel: om te, opdat. Gevolg: dus, zodat, waardoor.
- Niet maar en echter samen.
- Verwijswoorden: voornaamwoorden (hij, het, zijn, haar), aanwijzende voornaamwoorden (deze, die, dit, dat) en voornaamwoordelijke bijwoorden (ervan, daarover). Het woordgeslacht bepaalt het verwijswoord.
- Kritisch lezen: een eigen, onderbouwd oordeel vormen over een tekst.
- Feit: controleerbaar door waarneming of meting. Mening: oordeel, niet per se gebaseerd op bewijs. Standpunt: een mening die je verdedigt met argumenten.
- Vergelijk auteurs via standpunt, argumenten en woordkeuze; ga na of de tekst je eigen standpunt beïnvloedt.
- Betrouwbaarheid: wie, wanneer, waarom; meerdere bronnen raadplegen. HALT: Ho stop, Analyseer de bron, Lokaliseer andere bronnen, Traceer de originele context.
- Desinformatie is bewust misleidend, misinformatie niet.
- Reclame prijst tegen betaling iets aan en moet herkenbaar zijn; let op gesponsorde berichten van influencers (#spon, #adv).
Schrijven
- Schrijven is complex; daarom werk je in fasen: plannen, schrijven, reviseren, verzorgen en publiceren. De fasen lopen door elkaar.
- Oriënteren: doel, publiek, tekstsoort.
- Ideeën verzamelen: brainstormen (eerst alles opschrijven, pas dan oordelen), vragen stellen (W-vragen), associëren (mindmap, woordspin).
- Ordenen: een schrijfplan met begin, midden en slot; het belangrijkste vooraan.
- Reviseren: herlezen, (peer)feedback op basis van criteria, herschrijven. Inhoud en opbouw eerst, spelling bij het nalezen.
- Verzorgen: taalverzorging en vormgeving, dan publiceren.
- Schrijven om te leren: noteren, schematiseren en samenvatten om leerstof te verwerken en te onthouden.
- Notities: kernwoorden, beknopt, met een vaste bladspiegel.
- Mindmap: centraal thema, boomstructuur, trefwoorden in plaats van zinnen. Kies een schema dat bij de tekststructuur past.
- Kernidee: via de kernzinnen, in eigen woorden.
- Samenvatting: hoofdpunten in eigen woorden, veel korter, bijzaken weg, geen eigen mening, geen letterlijke citaten.
- Handschrift: van hulplijnen (4de leerjaar) naar één grondlijn (6de leerjaar); tempo en vormgeving op elkaar afstemmen.
- Stem doel, publiek en register af: u (formeel) of je (vertrouwelijk), nooit door elkaar.
- Belgische brief (BIN-norm): afzender, geadresseerde (gemeente in hoofdletters), plaats en datum (maand met kleine letter), onderwerp zonder betreft, aanhef, brieftekst, slotgroet, ondertekening. Komma na de aanhef mag en is gebruikelijk; dan ook na de slotgroet. Eerste woord na de aanhef met hoofdletter.
- E-mail: duidelijke onderwerpregel, kern in de eerste alinea, korte alinea's, geen mvg.
- Nieuwsbericht: belangrijkste eerst, kop, lead met vijf W's, daarna het hoe.
- Instructie: bevelende vorm, chronologisch, genummerd. Reclame: AIDA.
- Opmaak: 10 tot 12 punt, marges, witregels, links uitgelijnd, vet in plaats van hoofdletters.
Mondeling taalgebruik
- Luisteren is actief: de luisteraar bouwt een mentale voorstelling op en hoeft niet alles te begrijpen; het luisterdoel bepaalt wat belangrijk is.
- Gesproken tekst is vluchtiger dan geschreven tekst.
- De eindtermen onderscheiden drie verwerkingsniveaus: beschrijven, structureren en beoordelen.
- Strategieën: voor het luisteren je oriënteren op doel, teksttype en voorkennis; tijdens het luisteren je doel voor ogen houden, vragen stellen, structuur herkennen en noteren; na het luisteren het resultaat toetsen aan het doel.
- Expliciete informatie wordt letterlijk gezegd, impliciete informatie leid je af.
- Kritisch luisteren: standpunt herkennen, feit en mening onderscheiden, deskundigheid van de bron nagaan en reflecteren op je eigen standpunt.
- Spreekdoelen: informeren, beïnvloeden of vermaken. Stem af op doel én publiek.
- Opbouw: inleiding, kern en slot; hoofd- en bijzaken; logische volgorde; pakkend begin.
- Vertellen: begin, midden en einde; verhaalcomponenten wie, wat, waar, probleem, gevoel, oplossing.
- Non-verbaal: houding, oogcontact, mimiek; de stem (intonatie, tempo, volume) is non-verbaal maar vocaal.
- Klemtoon zit op een lettergreep in een woord; zinsaccent legt nadruk op nieuwe of belangrijke informatie in de zin.
- Standaardtaal voor publieke en formele situaties; register is situatiegebonden taalgebruik (formeel of informeel). Meng geen variëteiten.
- Hulpmiddelen alleen als ze de boodschap ondersteunen; oefen vooraf.
- Interactievormen in de minimumdoelen: dialoog, discussie en groepsgesprek.
- 4de leerjaar: inspelen op de inbreng van anderen en zelf informatie, argument of mening inbrengen. 6de leerjaar: voortbouwen, verbanden leggen tussen standpunten, argumenten bevragen en nuanceren, tot een conclusie komen.
- Een beurt is de bijdrage van één spreker; beurtwisseling gebeurt vaak non-verbaal (bv. aankijken).
- Discussie: overtuigen en samen tot een conclusie komen, standpunten mogen wijzigen. Debat: stelling, voor- en tegenstander, vaste standpunten, vaak een jury.
- Standpunt = wat je vindt; argument = waarom. Feiten zijn controleerbaar; een beroep op autoriteit is alleen sterk bij een echte deskundige.
- Actief luisteren: Luisteren, Samenvatten, Doorvragen (LSD); parafraseren en controleren.
Literatuur
- Fictie: product van de verbeelding van de auteur. Non-fictie: beschrijft de werkelijkheid.
- Sprookje: Er was eens, wonderlijk, onbepaalde tijd en plaats, goed tegen kwaad, niet religieus.
- Fabel: kort, dieren met menselijke eigenschappen, moraal.
- Legende: religieus, over heiligen, martelaren, Christus of Maria.
- Sage: niet religieus, bekende plaats en tijd, historische kern, bovennatuurlijke elementen.
- Mythe: goden, halfgoden en helden; vaak over het ontstaan van de wereld.
- Toneel: dialoog, bedrijven en scènes, toneelaanwijzingen, geen verteller.
- Strip: tekst en beeld vullen elkaar aan; graphic novel: striproman.
- Personage: figuur in een verhaal. Hoofdpersonage (protagonist) tegenover bijfiguren; de antagonist is de tegenspeler.
- Ruimte = plaats en omgeving; samen met tijd de context. Verteltijd = leestijd, vertelde tijd = tijd die het verhaal omvat. Flashback = terugblik.
- Plot = structuur en samenhang van de gebeurtenissen.
- Spanning ontstaat door vragen die pas later beantwoord worden. Open einde: vragen blijven open. Gesloten einde: verhaal is afgerond.
- Thema = grondgedachte; motief = terugkerend element dat het thema ondersteunt.
- Ik-verteller: personage dat vertelt, beperkt perspectief. Hij-verteller: vertelt in de derde persoon; alwetend of vanuit één personage. Verteller is niet de auteur.
- Gedicht: tekst in verzen die een afgerond geheel vormt. Vers = versregel. Strofe = groep verzen, gescheiden door wit.
- Distichon = twee regels; kwatrijn = vier regels; couplet = twee parallelle versregels of een strofe van een lied; refrein = terugkerende regel(s).
- Rijm = klankherhaling. Volrijm (alles vanaf de beklemtoonde klinker), assonantie (alleen klinkers), alliteratie of beginrijm (beginmedeklinkers).
- Naar plaats: eindrijm, binnenrijm, beginrijm.
- Rijmschema's: gepaard aabb, gekruist abab, omarmend abba.
- Ritme: afwisseling van beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen; metrum is een vast schema daarvan.
- Stijlfiguur: doelbewuste afwijking van het gewone taalgebruik; onbedoeld is het een stijlfout.
- Vergelijking: beeld en verbeelde, verbonden door als of zoals.
- Metafoor: vergelijking zonder als; soms alleen het beeld.
- Personificatie: dingen, dieren of begrippen krijgen menselijke eigenschappen.
- Overdrijving (hyperbool), herhaling (anafoor), alliteratie (beginrijm), klanknabootsing (onomatopee), contrast (antithese).
- Ook: eufemisme (verzachten), ironie (het omgekeerde bedoelen), climax (opklimmende reeks).
- Vakjury: de Boon (Vlaanderen), de Gouden Griffel (Nederland, CPNB, sinds 1971) en de Woutertje Pieterse Prijs (Nederland, sinds 1988).
- Jonge lezers kiezen: de Kinderjury (Nederland, CPNB, publieksprijs) en de Leesjury (Vlaanderen, Iedereen Leest, 4 tot 18 jaar).
- Leesjury = nieuwe naam van de Kinder- en Jeugdjury Vlaanderen.
- Griffel = tekst, Penseel = illustraties; Zilveren winnaars maken kans op Goud.
- De Boon: twee categorieën, 50.000 euro per categorie, ook een publieksprijs.
- Leesbevordering: kinderen kiezen boeken naar leesvoorkeur en praten over wat hen aanspreekt.
Wetenschappen en techniek
Organismen en classificatie
- Classificeren is organismen in groepen indelen op basis van gemeenschappelijke kenmerken; de taxonomie is de wetenschap die organismen beschrijft, benoemt en indeelt.
- Rangen van groot naar klein: rijk, stam (afdeling), klasse, orde, familie, geslacht, soort.
- Een wetenschappelijke naam bestaat uit geslachtsnaam en soortaanduiding, bv. Homo sapiens.
- Een soort is een groep organismen die samen vruchtbare nakomelingen kunnen krijgen.
- Flora bestaat uit zaadplanten (voortplanting met zaden) en sporenplanten (varens en mossen, voortplanting met sporen uit een sporenkapsel).
- Schimmels zijn geen planten: geen bladgroen. De paddenstoel is het vruchtlichaam; de zwamvlok zit in de grond.
- Bacteriën zijn eencellig, zonder celkern, en kunnen nuttig of schadelijk zijn.
- Gewervelde dieren hebben een ruggengraat. De vijf klassen zijn zoogdieren, vogels, reptielen, amfibieën en vissen.
- Zoogdieren (haren, zogen) en vogels (veren, eieren met harde schaal) zijn warmbloedig; reptielen, amfibieën en vissen zijn koudbloedig.
- Reptielen hebben een droge, geschubde huid; amfibieën een naakte, vochtige huid en een larvestadium in het water; vissen ademen met kieuwen.
- Ongewervelden hebben geen ruggengraat. De grootste groep zijn de geleedpotigen, met een uitwendig skelet, segmenten en gelede poten.
- Insecten: 3 lichaamsdelen, 6 poten, 2 antennes, facetogen. Spinachtigen: 2 lichaamsdelen, 8 poten, geen antennes.
- Andere ongewervelden zijn onder meer weekdieren (slak, mossel) en ringwormen (regenworm).
- Met een zoekkaart determineer je een organisme door telkens te kiezen tussen twee waarneembare kenmerken.
- Organismen planten zich voort om de soort in stand te houden.
- Geslachtelijk: zaadcel en eicel versmelten (bevruchting); ongeslachtelijk: één ouder, geen bevruchting, identieke nakomelingen.
- Levendbarend (de meeste zoogdieren) of eierleggend (vogels, de meeste reptielen, amfibieën, vissen, insecten).
- Zoogdier: geboorte, zogen, jong. Vogel: ei, broeden, uitkomen, kuiken.
- Amfibie: ei (dril), larve met kieuwen (kikkervisje), volwassen dier met longen: metamorfose.
- Insect met volledige metamorfose: ei, larve, pop, imago. Met onvolledige metamorfose: ei, larve (nimf), imago.
- Geslachtelijke voortplanting bij zaadplanten: bestuiving, bevruchting, zaad- en vruchtvorming, zaadverspreiding, kieming.
- Bestuiving: stuifmeel van meeldraad naar stempel, door insecten of wind. Bevruchting: de mannelijke kern versmelt met de eicel in de zaadknop.
- De zaadknop wordt een zaad, het vruchtbeginsel wordt een vrucht.
- Zaden worden verspreid door wind, dieren, water of door de plant zelf.
- Een zaad kiemt bij voldoende water, een geschikte temperatuur en zuurstof.
- Insecten zoals bijen, hommels en zweefvliegen zijn onmisbaar voor de bestuiving van veel wilde planten en voedselgewassen.
- Ongeslachtelijke voortplanting (bol, knol, uitlopers, stekken, wortelstokken) levert identieke nakomelingen op.
Ecosystemen en biotopen
- Een biotoop is een leefgebied met eigen omstandigheden en een eigen levensgemeenschap.
- Abiotische factoren zijn niet-levend (licht, temperatuur, water, bodem, wind, zout); biotische factoren komen van levende organismen.
- Een ecosysteem omvat de organismen, hun abiotische omgeving en alle wisselwerkingen.
- De zeven biotopen: grasland, bos, heide, zee en kust, stadslandschap, agrarisch landschap en zoet water. Je herkent ze aan hun abiotische kenmerken en typische organismen.
- Organismen beïnvloeden elkaar (eten en gegeten worden, concurrentie, samenwerking) en hun omgeving.
- Omgevingen veranderen door seizoenen, natuurlijke opvolging en ingrepen van de mens.
- Producenten (groene planten) maken voedsel met zonlicht; consumenten eten andere organismen; reducenten (bacteriën, schimmels) breken dode resten af tot mineralen.
- Planteneters (herbivoren) eten planten, vleeseters (carnivoren) dieren, alleseters (omnivoren) beide.
- In een voedselketen wijst de pijl naar wie eet. Elke keten begint bij een producent, en bijna elke keten dus bij de zon.
- Een voedselweb bestaat uit meerdere verbonden voedselketens.
- In de voedselpiramide wordt elke hogere laag kleiner, omdat er bij elke stap energie verloren gaat.
- In de voedselkringloop keren stoffen via de reducenten terug naar de producenten.
- Biodiversiteit is de verscheidenheid aan soorten, genen en ecosystemen.
- Biodiversiteit is essentieel voor stabiele ecosystemen, voor aanpassing aan veranderingen en voor de diensten die de mens nodig heeft.
- Ecosysteemdiensten zijn de voordelen die de mens uit de natuur haalt: productie (voedsel, hout), regulatie (bestuiving, waterzuivering, klimaat) en cultuur (recreatie).
- De mens heeft een negatieve impact (versnippering, vermesting, verdroging, vervuiling, invasieve exoten, klimaatverandering) en een positieve (natuurbeheer, natuurherstel, natuurverbindingen).
- Milieuproblemen ontstaan vaak uit tegengestelde belangen.
- Ladder van Lansink: preventie, hergebruik, sorteren en recycleren, verbranden, storten.
Bouw van organismen en evolutie
- Wortel: verankering en opname van water en mineralen. Stengel of stam: steun en transport. Blad: fotosynthese en verdamping. Bloem: voortplanting. Vrucht: bescherming en verspreiding van zaden. Zaad: kiemplant met reservevoedsel.
- Houtvaten vervoeren water en mineralen omhoog; bastvaten vervoeren suikers uit de bladeren naar de rest van de plant. Bij dieren vervoert het bloed stoffen.
- Kelkbladeren beschermen de knop, kroonbladeren lokken insecten, meeldraden maken stuifmeel, de stamper (stempel, stijl, vruchtbeginsel) is het vrouwelijke deel.
- Na de bevruchting wordt het vruchtbeginsel de vrucht en worden de zaadknoppen zaden.
- Alle organismen bestaan uit één of meer cellen; de cel is de kleinste eenheid van leven.
- Elke cel heeft een celmembraan, cytoplasma en (behalve bij bacteriën) een celkern. Plantencellen hebben daarnaast een celwand, bladgroenkorrels en een grote vacuole.
- Cellen vormen weefsels, weefsels vormen organen, organen vormen stelsels.
- Erfelijke eigenschappen liggen vast in het DNA in de celkern. Nakomelingen krijgen de helft van elke ouder: ze lijken op hun ouders maar zijn er nooit een kopie van (variatie).
- Aanpassingen zijn erfelijke kenmerken die overleven in een bepaalde omgeving makkelijker maken.
- Door natuurlijke selectie veranderen soorten over vele generaties: dat is evolutie (Darwin, 1859).
- Soorten kunnen uitsterven, door natuurlijke oorzaken of door de mens.
Energie en voeding
- Fotosynthese: groene planten zetten met lichtenergie koolstofdioxide en water om in glucose en zuurstofgas.
- Formule: 6 CO₂ + 6 H₂O → C₆H₁₂O₆ + 6 O₂.
- Fotosynthese gebeurt in de bladgroenkorrels (chloroplasten), die bladgroen (chlorofyl) bevatten. Gassen gaan in en uit via de huidmondjes.
- Planten ademen ook: bij de verbranding gebruiken ze glucose en zuurstof, dag en nacht.
- Planten groeien als ze licht, water, warmte, koolstofdioxide en mineralen krijgen.
- De zon is de primaire energiebron: bijna elke voedselketen begint bij de energie van de zon. Uitzondering: chemosynthese bij hydrothermale bronnen.
- Voedingsmiddelen zijn wat je eet; voedingsstoffen zijn de stoffen die erin zitten.
- Brandstoffen (energie): koolhydraten (4 kcal/g) en vetten (9 kcal/g). Bouwstoffen: eiwitten (4 kcal/g), water, mineralen. Beschermende stoffen: vitaminen en mineralen.
- Vezels worden niet verteerd maar zijn nodig voor een goede stoelgang.
- Calcium is nodig voor botten en tanden, ijzer voor de rode bloedcellen.
- Voedingsdriehoek van Gezond Leven: water bovenaan, dan de donkergroene (plantaardig), lichtgroene (dierlijk, gunstig of neutraal) en oranje zone; de rode bol (restgroep) staat los van de driehoek.
- Eet meer plantaardig dan dierlijk, zo weinig mogelijk lege calorieën, en vermijd voedselverlies.
Het menselijk lichaam en gezondheid
- Zintuigen (ogen, oren, neus, tong, huid) vangen prikkels op: licht, geluid, geurstoffen, opgeloste stoffen, aanraking, warmte en pijn.
- Gevoelszenuwen brengen signalen naar de hersenen; de hersenen verwerken ze en sturen via bewegingszenuwen opdrachten naar de spieren.
- Een reflex is een snelle, onbewuste reactie via het ruggenmerg.
- Het skelet (206 botten bij een volwassene) zorgt voor steun, bescherming, beweging en aanmaak van bloedcellen.
- Gewrichten verbinden botten beweeglijk: kogelgewricht (schouder, heup), scharniergewricht (elleboog, knie).
- Spieren kunnen enkel trekken en werken in paren (biceps en triceps). Pezen verbinden spieren met botten, gewrichtsbanden botten met botten.
- Weg van de lucht: neus (of mond), keel, strottenhoofd, luchtpijp, bronchiën, longen, longblaasjes.
- In de longblaasjes gaat zuurstof naar het bloed en koolstofdioxide naar de lucht.
- Inademen: middenrif trekt samen en zakt, borstholte wordt groter. Uitademen: middenrif ontspant.
- Het hart heeft twee boezems en twee kamers; kleppen zorgen voor één stroomrichting.
- Slagaders voeren bloed van het hart weg, aders naar het hart toe (met kleppen), in de haarvaten gebeurt de uitwisseling.
- Kleine bloedsomloop: hart, longen, hart. Grote bloedsomloop: hart, lichaam, hart.
- Bloed: plasma, rode bloedcellen (zuurstof), witte bloedcellen (afweer), bloedplaatjes (stolling).
- Spijsvertering is het fijnmalen en afbreken van voedsel tot stoffen die in het bloed kunnen worden opgenomen.
- Volgorde: mond, keelholte, slokdarm, maag, twaalfvingerige darm, dunne darm, dikke darm, endeldarm, anus.
- Peristaltiek: spieren in de wand duwen het voedsel golfsgewijs verder.
- De lever maakt gal (vetvertering), de galblaas slaat gal op, de alvleesklier maakt verteringssappen.
- Voedingsstoffen gaan in de dunne darm via de darmvlokken naar het bloed.
- De dikke darm neemt water op; via endeldarm en anus verlaat de ontlasting het lichaam.
- Teelballen maken zaadcellen en testosteron; zaadleiders vervoeren de zaadcellen; via de penis komt het sperma vrij.
- Eierstokken bevatten eicellen en maken oestrogenen; in de eileider gebeurt de bevruchting; in de baarmoeder groeit de baby; de vagina verbindt baarmoeder en buitenkant.
- Menstruatie: het lichaam stoot baarmoederslijmvlies en een onbevruchte eicel af, ongeveer één keer per maand.
- Bevruchting: een zaadcel dringt een eicel binnen. Embryo (eerste 8 weken), dan foetus; zwangerschap ongeveer 9 maanden (40 weken).
- Levensfasen: baby, peuter, kleuter, schoolkind, puber, volwassene, oudere.
- Puberteit: start meestal tussen 10 en 13 jaar, door hormonen; bij meisjes gemiddeld 1 à 2 jaar vroeger. Iedereen heeft zijn eigen tempo.
- Gezonde gewoonten (gevarieerd eten, water drinken, bewegen, slapen, tanden poetsen) hangen samen met de werking van het lichaam.
- Voorzorgen (handen wassen, vaccinatie, zonbescherming, fietshelm) verkleinen de kans op ziekte en ongevallen, maar niet alles is te vermijden.
- De 4 v's van eerste hulp: veiligheid, vraag wat er gebeurd is, verwittig hulp, verleen eerste hulp.
- 112: ziekenwagen en brandweer, gratis in heel Europa. 101: politie. Zeg wie je bent, waar, wat er gebeurd is en wie gewond is.
- Brandwonde: eerst water. Koel minstens 10 minuten, bij voorkeur 20 minuten, met stromend water. Geen ijs, geen ijskoud water, blaren niet openprikken.
Materie en stoffen
- Materie is alles wat massa heeft en ruimte inneemt; ook lucht is materie.
- Alle materie bestaat uit deeltjes die voortdurend bewegen; hoe warmer, hoe sneller. Tussen de deeltjes is lege ruimte. De deeltjes zelf veranderen niet van grootte.
- Een zuivere stof bestaat uit één soort deeltjes en heeft een vast smelt- en kookpunt.
- Een mengsel bevat meerdere zuivere stoffen in een wisselende verhouding (homogeen of heterogeen) en is fysisch te scheiden.
- Een verbinding is een zuivere stof uit twee of meer chemisch gebonden elementen in een vaste verhouding, zoals water (H₂O).
- Fysische veranderingen (smelten, oplossen) zijn omkeerbaar; chemische reacties (verbranden) leveren nieuwe stoffen op en zijn niet-omkeerbaar.
- Natuurlijke materie komt zo in de natuur voor, synthetische materie wordt chemisch gemaakt.
- Er zijn drie aggregatietoestanden: vast (eigen vorm en volume), vloeibaar (eigen volume) en gas (geen eigen vorm of volume).
- Zes faseovergangen in paren: smelten en stollen, verdampen en condenseren, sublimeren en rijpen.
- Het smeltpunt is de temperatuur van vast naar vloeibaar, het kookpunt de temperatuur waarbij een vloeistof kookt. Water: 0 °C en 100 °C bij normale luchtdruk.
- Verdampen gebeurt bij elke temperatuur aan het oppervlak; koken enkel bij het kookpunt.
- Bij een faseovergang verandert de beweging en de afstand van de deeltjes, niet de stof zelf: het is een omkeerbaar, fysisch proces.
- Rijp ontstaat door rijpen (waterdamp wordt meteen ijs); wolken en dauw ontstaan door condensatie.
- Massa (kg) is de hoeveelheid materie; volume (m³, dm³ = l, cm³ = ml) is de ingenomen ruimte.
- Massadichtheid is massa per volume-eenheid: . Het is een stofeigenschap.
- 1 g/cm³ = 1 kg/dm³ = 1000 kg/m³. Water heeft een massadichtheid van ongeveer 1 g/cm³: 1 liter water heeft een massa van ongeveer 1 kg.
- Bij één materiaal zijn massa en volume recht evenredig; het quotiënt is de massadichtheid.
- Een voorwerp drijft als zijn (gemiddelde) massadichtheid kleiner is dan die van de vloeistof en zinkt als ze groter is (wet van Archimedes).
- IJs is minder dicht dan water en drijft; zout water is dichter dan zoet water.
- Een grondstof is een onbewerkt materiaal uit de natuur (hout, aardolie, zand); een materiaal is de stof waaruit een voorwerp gemaakt wordt.
- Natuurlijke materialen (hout, wol, klei, leer) komen uit de natuur; synthetische (nylon, kunststof) worden chemisch gemaakt, vaak uit aardolie.
- Belangrijke eigenschappen: hardheid, breekbaarheid, waterdichtheid, warmte- en elektrische geleidbaarheid, lichtdoorlaatbaarheid, smelttemperatuur, oplosbaarheid en magnetisme.
- Metalen geleiden goed warmte en elektriciteit; kunststof, glas, rubber en droog hout isoleren.
- Alleen ijzer, nikkel en kobalt (en legeringen zoals staal) zijn merkbaar magnetisch.
- Materiaalkeuze volgt uit de functie: elk onderdeel krijgt het materiaal met de eigenschap die nodig is.
Natuurkundige verschijnselen
- Een kracht kan de bewegingstoestand (versnellen, vertragen, van richting veranderen) of de vorm van een voorwerp veranderen.
- Grotere kracht bij dezelfde massa: grotere verandering van beweging. Grotere massa bij dezelfde kracht: kleinere verandering.
- Kracht meet je in newton (N) met een krachtmeter.
- Massa (kg) is de hoeveelheid materie en is overal gelijk; gewicht (N) is een kracht door de zwaartekracht en hangt af van waar je bent. Op aarde: 1 kg heeft een gewicht van ongeveer 9,81 N (afgerond 10 N).
- Wrijving werkt tegen de beweging in tussen oppervlakken; smeren vermindert ze.
- Weerstand in water is veel groter dan in lucht; stroomlijnen vermindert de weerstand.
- Druk is kracht per oppervlakte: , in pascal (1 Pa = 1 N/m²).
- Energie (eenheid joule) is nodig om iets te laten bewegen, opwarmen of licht geven. Energie gaat nooit verloren, ze wordt omgezet (wet van behoud van energie).
- Vormen: bewegingsenergie, zwaarte-energie, thermische energie, chemische energie, elektrische energie, stralingsenergie en kernenergie.
- Temperatuur zegt hoe warm iets is; warmte is energie die van warm naar koud stroomt.
- Bij elke energieomzetting gaat een deel als (niet-bruikbare) warmte naar de omgeving.
- Niet-hernieuwbaar: fossiele brandstoffen (aardolie, aardgas, steenkool) en kernenergie (uranium). Hernieuwbaar: zon, wind, water, biomassa, aardwarmte.
- Kernenergie is niet-fossiel maar ook niet-hernieuwbaar; België heeft kerncentrales in Doel en Tihange.
- Bijna alle energie op aarde komt oorspronkelijk van de zon.
- Lichtbronnen geven zelf licht (zon, lamp); verlichte voorwerpen weerkaatsen licht (maan, dit blad).
- Je ziet iets doordat licht van het voorwerp in je oog valt.
- Licht plant zich rechtlijnig en zeer snel voort (ongeveer 300 000 km/s).
- Een schaduw ontstaat waar een ondoorschijnend voorwerp het licht tegenhoudt; dichter bij de lichtbron geeft een grotere schaduw.
- Licht kan gereflecteerd (spiegel: zelfde hoek), geabsorbeerd (omgezet in warmte; zwart absorbeert alles) of doorgelaten worden.
- Materialen zijn transparant, doorschijnend of ondoorschijnend.
- De kleur van een voorwerp is het licht dat het weerkaatst; de rest wordt geabsorbeerd.
- Geluid ontstaat doordat een geluidsbron trilt; die trilling plant zich als drukgolf voort en doet je trommelvlies trillen.
- Geluid heeft een stof nodig (gas, vloeistof, vaste stof); in vacuüm is er geen geluid. In lucht: ongeveer 343 m/s.
- Toonhoogte = frequentie = aantal trillingen per seconde, in hertz. Sneller trillen geeft een hogere toon. Wij horen ongeveer 20 tot 20 000 Hz.
- Geluidssterkte hangt af van de grootte (amplitude) van de trilling en wordt gemeten in decibel; +10 dB is tien keer meer intensiteit.
- Hoe verder van de bron, hoe zwakker: bij een puntbron ongeveer 6 dB minder per verdubbeling van de afstand.
- Zachte materialen absorberen geluid, harde weerkaatsen het (echo).
- Stroom loopt alleen in een gesloten stroomkring: bron, geleiders, verbruiker en terug naar de andere pool. Een schakelaar opent of sluit de kring.
- Schakelsymbolen: batterij (lang dun streepje = plus, kort dik = min), lamp (cirkel met kruis), draad (rechte lijn), schakelaar (open of gesloten).
- Geleiders (metalen, grafiet) laten stroom door; isolatoren (kunststof, rubber, glas, droog hout, lucht) niet.
- Spanning in volt (V), stroomsterkte in ampère (A). Stopcontact: ongeveer 230 V, dus nooit mee experimenteren.
- In serie gaan alle lampjes uit als er één uitvalt; parallel blijven de andere branden.
- Een magneet heeft een noord- en een zuidpool; gelijke polen stoten af, ongelijke trekken aan. Alleen ijzer, nikkel en kobalt worden aangetrokken.
- De aarde is een grote magneet; de noordpool van een kompasnaald wijst naar het (magnetische) noorden.
Aarde, weer en ruimte
- De aarde draait in ongeveer 24 uur om haar as (van west naar oost): dag en nacht. De zon lijkt op te komen in het oosten, staat middags in het zuiden en gaat onder in het westen.
- De aarde draait in ongeveer 365¼ dagen rond de zon.
- De seizoenen komen door de schuine aardas (ongeveer 23°), niet door de afstand tot de zon. Zomer: zon hoog, stralen loodrechter, lange dagen. Op het zuidelijk halfrond zijn de seizoenen omgekeerd.
- De maan geeft geen licht maar weerkaatst zonlicht. De maanfasen (nieuwe maan, eerste kwartier, volle maan, laatste kwartier) ontstaan doordat we de verlichte helft vanuit een andere hoek zien; de cyclus duurt ongeveer 29,5 dagen.
- Het zonnestelsel heeft acht planeten: Mercurius, Venus, Aarde, Mars, Jupiter, Saturnus, Uranus, Neptunus. Pluto is sinds 2006 een dwergplaneet.
- Weer is de toestand van de atmosfeer op een plaats en een moment; klimaat is het gemiddelde weer over minstens 30 jaar.
- Weerselementen en instrumenten: temperatuur (thermometer, 1,5 m hoog in een thermometerhut), neerslag (regenmeter, 1 mm = 1 l/m²), windsnelheid (anemometer, Beaufort 0 tot 12), windrichting (windvaan, richting waar de wind vandaan komt), luchtdruk (barometer, hPa), luchtvochtigheid (hygrometer, %), bewolking (octa's).
- Wind stroomt van hoge naar lage luchtdruk; lage druk betekent meestal slecht weer.
- België heeft een gematigd zeeklimaat met frisse, vochtige zomers en zachte, regenachtige winters.
- Mensen passen kleding, woning en dagritme aan het klimaat aan (iglo in poolgebieden, siësta in warme landen).
Onderzoeken en ontwerpen
- De onderzoekscyclus heeft vijf fasen: verkennen, onderzoek opzetten, onderzoek uitvoeren, concluderen, presenteren.
- Een onderzoeksvraag is concreet en onderzoekbaar; een hypothese is een toetsbaar, voorlopig antwoord ("als ... dan ... omdat ...").
- Onafhankelijke variabele: wat je verandert. Afhankelijke variabele: wat je meet. Gecontroleerde variabelen: wat je gelijk houdt.
- Eerlijk onderzoek: gecontroleerde omstandigheden (één factor tegelijk veranderen) en reproduceerbaarheid (herhaalbaar met hetzelfde resultaat).
- Waarnemingen noteer je systematisch; metingen herhaal je; ook een verworpen hypothese is een waardevol resultaat.
- Ontwerpen is een manier om aan een behoefte te voldoen of een probleem op te lossen; onderzoeken vertrekt van een vraag.
- De ontwerpcyclus heeft zes fasen: verkennen, ideeën verzinnen en selecteren, ontwerp plannen, ontwerp realiseren, testen en optimaliseren, presenteren.
- Criteria (ontwerpeisen) maken de behoefte concreet, helpen kiezen tussen ideeën en zijn de maatstaf bij het testen. Ze moeten toetsbaar zijn.
- Optimaliseren betekent het ontwerp verbeteren op basis van de testresultaten; daarom is het een cyclus.
- Werk veilig, hygiënisch, nauwkeurig en zorgzaam, en volg een werktekening of handleiding stap voor stap.
Techniek en technologie
- Een technisch systeem is een door mensen gemaakt geheel dat een functie vervult om aan een behoefte te voldoen.
- Analyseer een systeem op functie, onderdelen, materialen (en waarom), werking (natuurkundig verschijnsel) en vormgeving.
- Vormgeving en design bepalen mee hoe gebruiksvriendelijk, veilig en aantrekkelijk een systeem is.
- Demonteren is uit elkaar halen, monteren is in elkaar zetten. Basisgereedschap: schroevendraaier, steeksleutel, inbussleutel, tang, hamer, bandenlichters.
- Onderhouden houdt een systeem in goede staat (smeren, oppompen, controleren); herstellen maakt een defect systeem weer werkend. Beide verlengen de levensduur en zijn goed voor veiligheid en duurzaamheid.
- Storingen zoek je systematisch, één mogelijke oorzaak tegelijk.
- Een overbrenging brengt beweging en kracht over en kan snelheid, kracht en richting veranderen; wat je wint aan kracht, verlies je aan afstand.
- Tandwielen die in elkaar grijpen, draaien in tegengestelde richting. Groot drijft klein aan: sneller. Klein drijft groot aan: trager maar krachtiger.
- Bij riemen en kettingen draaien beide wielen in dezelfde richting; een riem kan slippen, een ketting niet.
- Fiets: groot vooraan en klein achteraan geeft een zwaar verzet (snel); klein vooraan en groot achteraan een licht verzet (bergop).
- Hefboomwet: kracht × krachtarm = last × lastarm. Eerste soort: draaipunt in het midden (wip, schaar). Tweede soort: last in het midden (kruiwagen, notenkraker). Derde soort: kracht in het midden (pincet).
- Een vaste katrol verandert de richting van de kracht; een losse katrol halveert de nodige kracht maar verdubbelt de touwlengte.
- Wetenschap is geordende, verifieerbare kennis (begrijpen); technologie is het geheel aan technieken en processen om behoeften te vervullen (oplossen). Ze beïnvloeden elkaar en de samenleving voortdurend.
- Ontdekking: iets bestaands wordt gevonden of verklaard. Uitvinding: iets nieuws wordt bedacht. Innovatie: een vernieuwing die ook in de praktijk wordt toegepast.
- Technische systemen evolueren en verbeteren (fakkel → olielamp → gloeilamp → led).
- Duurzaam: voorzien in de behoeften van nu zonder toekomstige generaties te benadelen (Brundtland, 1987).
- De ecologische voetafdruk meet hoeveel productieve oppervlakte nodig is voor onze consumptie en ons afval, in mondiale hectares.
- Ethiek vraagt of alles wat technisch kan, ook mag.
- Gevolgen van technologie zijn positief, negatief of onzeker, op korte of lange termijn, voor jezelf, anderen, het milieu en de maatschappij.