KKennisToetsLager onderwijs

Leren

Nederlands

Spelling, grammatica, woordenschat, lezen, schrijven, mondeling taalgebruik en literatuur.
57/57 minimumdoelen 6de leerjaar gedekt
01

Spelling

Werkwoordspelling, klanken en tekens, meervoud, hoofdletters, leestekens en samenstellingen.

Klanken, letters en lettergrepen

Klinkers en medeklinkers, open en gesloten lettergrepen, verdubbeling en verenkeling, de doffe klank, eindletters en tweetekenklanken.

9 min 12 vragen 9 kaarten7 bronnen

Werkwoordspelling: de tegenwoordige tijd

De stam, de ik-vorm, stam + t, de inversie met je en jij, werkwoorden met een stam op d of t, onregelmatige werkwoorden en de gebiedende wijs.

8 min 18 vragen 10 kaarten8 bronnen

Werkwoordspelling: verleden tijd en voltooid deelwoord

Zwakke werkwoorden en 't kofschip, sterke en onregelmatige werkwoorden, het voltooid deelwoord op d of t, bijvoeglijk gebruikt voltooid deelwoord en de toekomende tijd.

9 min 18 vragen 9 kaarten9 bronnen

Meervoud en verkleinwoord

Meervouden op -en, -s, -'s, -eren en met trema, afwijkende meervouden zoals musea, en verkleinwoorden op -je, -tje, -etje, -pje en -kje.

8 min 14 vragen 9 kaarten12 bronnen

Hoofdletters

Hoofdletters aan het begin van een zin en bij eigennamen, persoonsnamen, aardrijkskundige namen en hun afleidingen, talen, feestdagen, historische gebeurtenissen, instanties, merken en titels.

7 min 11 vragen 9 kaarten9 bronnen

Leestekens en woordtekens

Punt, vraagteken, uitroepteken, komma, dubbele punt, aanhalingstekens en haakjes, en de woordtekens trema, koppelteken, apostrof en accent, plus afkortingen, initiaalwoorden en letterwoorden.

10 min 14 vragen 10 kaarten21 bronnen

Samenstellingen: aaneen, tussen-n, tussen-s en koppelteken

Wat een samenstelling is, wanneer je aaneenschrijft, wanneer je een tussen-n of tussen-s schrijft en wanneer een koppelteken nodig is.

7 min 11 vragen 8 kaarten10 bronnen

Leenwoorden en moeilijke woorden spellen

Woorden die anders geschreven dan uitgesproken worden, vrije klinkers in leenwoorden, de achtervoegsels -isch, -air, -iaal, -eaal, -ueel en -ieel, en vakwoorden uit het Latijn en het Grieks.

7 min 11 vragen 8 kaarten10 bronnen
02

Grammatica

Woordsoorten, zinsdelen, werkwoordstijden en zinsbouw.

03

Woordenschat en taalgebruik

Woordvorming, betekenisrelaties, figuurlijk taalgebruik, register en taalvariatie.

04

Lezen en tekstbegrip

Tekstsoorten, tekststructuur, signaalwoorden en leesstrategieën.

05

Schrijven

Het schrijfproces, tekstconventies, samenvatten en schrijven voor een doel en publiek.

06

Mondeling taalgebruik

Luisteren, spreken, presenteren en gesprekken voeren.

07

Literatuur

Genres, verhaalelementen, poëzie en stijlfiguren.