Leren
Nederlands
Spelling
Werkwoordspelling, klanken en tekens, meervoud, hoofdletters, leestekens en samenstellingen.
Klanken, letters en lettergrepen
Klinkers en medeklinkers, open en gesloten lettergrepen, verdubbeling en verenkeling, de doffe klank, eindletters en tweetekenklanken.
Werkwoordspelling: de tegenwoordige tijd
De stam, de ik-vorm, stam + t, de inversie met je en jij, werkwoorden met een stam op d of t, onregelmatige werkwoorden en de gebiedende wijs.
Werkwoordspelling: verleden tijd en voltooid deelwoord
Zwakke werkwoorden en 't kofschip, sterke en onregelmatige werkwoorden, het voltooid deelwoord op d of t, bijvoeglijk gebruikt voltooid deelwoord en de toekomende tijd.
Meervoud en verkleinwoord
Meervouden op -en, -s, -'s, -eren en met trema, afwijkende meervouden zoals musea, en verkleinwoorden op -je, -tje, -etje, -pje en -kje.
Hoofdletters
Hoofdletters aan het begin van een zin en bij eigennamen, persoonsnamen, aardrijkskundige namen en hun afleidingen, talen, feestdagen, historische gebeurtenissen, instanties, merken en titels.
Leestekens en woordtekens
Punt, vraagteken, uitroepteken, komma, dubbele punt, aanhalingstekens en haakjes, en de woordtekens trema, koppelteken, apostrof en accent, plus afkortingen, initiaalwoorden en letterwoorden.
Samenstellingen: aaneen, tussen-n, tussen-s en koppelteken
Wat een samenstelling is, wanneer je aaneenschrijft, wanneer je een tussen-n of tussen-s schrijft en wanneer een koppelteken nodig is.
Leenwoorden en moeilijke woorden spellen
Woorden die anders geschreven dan uitgesproken worden, vrije klinkers in leenwoorden, de achtervoegsels -isch, -air, -iaal, -eaal, -ueel en -ieel, en vakwoorden uit het Latijn en het Grieks.
Grammatica
Woordsoorten, zinsdelen, werkwoordstijden en zinsbouw.
Woordsoorten
De tien woordsoorten van het Nederlands met hun kenmerken, het lidwoord en het genus, de trappen van vergelijking en hoe de functie in de zin de woordsoort bepaalt.
Voornaamwoorden
De negen soorten voornaamwoorden met hun vormen en functies, met aandacht voor die en dat, hun en zij, en de verschillen tussen wederkerend en wederkerig.
Werkwoordsvormen en werkwoordstijden
Infinitief, stam, uitgang, persoonsvorm, voltooid deelwoord en gebiedende wijs; zelfstandige werkwoorden, hulpwerkwoorden en koppelwerkwoorden; de tegenwoordige, verleden, voltooide en toekomende tijd.
Zinsdelen
Zinsontleding stap voor stap. Persoonsvorm, werkwoordelijk en naamwoordelijk gezegde, onderwerp, lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp en bijwoordelijke bepaling, met de proeven om ze te vinden.
Zinsbouw en soorten zinnen
Mededelende, vragende, uitroepende, gebiedende en ontkennende zinnen; enkelvoudige en samengestelde zinnen; hoofdzin en bijzin; nevenschikking en onderschikking.
Woordenschat en taalgebruik
Woordvorming, betekenisrelaties, figuurlijk taalgebruik, register en taalvariatie.
Woordvorming, betekenisrelaties en figuurlijk taalgebruik
Grondwoord, voor- en achtervoegsel, afleiding en samenstelling; synoniemen, antoniemen, homoniemen en hyponiemen; figuurlijk taalgebruik, uitdrukkingen en spreekwoorden; woordleerstrategieën.
Taalvariatie, register en communicatie
Standaardtaal, tussentaal, dialect, jongerentaal en vaktaal; factoren die taal beïnvloeden; formeel en informeel register; het communicatiemodel en non-verbale communicatie.
Taal door de tijd en in de wereld
Hoe het Nederlands evolueert en leenwoorden opneemt, hoe informatiebronnen veranderden van vertelcultuur tot digitale media, tot welke taalfamilie het Nederlands behoort en welke schriften er bestaan.
Lezen en tekstbegrip
Tekstsoorten, tekststructuur, signaalwoorden en leesstrategieën.
Vlot en vloeiend lezen
Technisch lezen, het verschil tussen vlot en vloeiend lezen, expressief lezen, onbekende woorden lezen via morfologie, AVI en DMT, en leesmotivatie.
Tekstbegrip en leesstrategieën
Leesdoel, strategieën voor, tijdens en na het lezen, begrip bewaken en herstellen, expliciete en impliciete informatie, inferenties, hoofdgedachte en kernzin.
Leeswijzen
Je leeswijze afstemmen op je leesdoel, oriënterend, globaal, intensief, zoekend, studerend, kritisch en genietend lezen.
Tekstsoorten, tekstdoelen en tekstconventies
Tekstsoorten indelen naar hun doel, tekstkenmerken herkennen, betogend en beschouwend onderscheiden, en tekstconventies zoals inhoudsopgave, index, legende, tabel en diagram gebruiken.
Tekststructuur, signaalwoorden en verwijswoorden
Inleiding, midden en slot, titels en alinea's, signaalwoorden per verband (opsomming, tegenstelling, reden en oorzaak, doel, gevolg, voorwaarde, tijd, conclusie) en verwijswoorden.
Kritisch lezen en mediawijsheid
Feit en mening, standpunt en argumenten, auteurs vergelijken, betrouwbaarheid van bronnen nagaan met de HALT-methode, nepnieuws, reclame en influencers herkennen.
Schrijven
Het schrijfproces, tekstconventies, samenvatten en schrijven voor een doel en publiek.
Het schrijfproces
De fasen van het schrijfproces, oriënteren op doel en publiek, ideeën verzamelen met brainstorm, vragen en associëren, ordenen in een schrijfplan, reviseren met feedback en verzorgen.
Schrijven om te leren
Notities met kernwoorden, schema's en mindmaps, het kernidee in eigen woorden formuleren, een samenvatting schrijven, en handschrift bij het noteren.
Schrijven om te delen
Doel en publiek, register (u of je), de brief volgens de Belgische conventies, de e-mail, de uitnodiging, het nieuwsbericht, de instructie, de reclametekst en een verzorgde (digitale) opmaak.
Mondeling taalgebruik
Luisteren, spreken, presenteren en gesprekken voeren.
Luisteren en luisterstrategieën
Luisteren als actief proces, het luisterdoel, strategieën voor, tijdens en na het luisteren, expliciete en impliciete informatie, en kritisch luisteren naar standpunten en argumenten.
Spreken, presenteren en vertellen
Spreekdoel en publiek, inhoud verzamelen en structureren, vertellen met een verhaalstructuur, verbale en non-verbale aspecten, uitspraak en zinsaccent, standaardtaal en register, hulpmiddelen en spreekangst.
Gesprekken voeren, discussiëren en argumenteren
Dialoog, groepsgesprek, discussie en debat; beurtwisseling en gespreksregels; standpunt en argument; interactiestrategieën zoals voortbouwen, verbanden leggen en nuanceren; actief luisteren.
Literatuur
Genres, verhaalelementen, poëzie en stijlfiguren.
Genres in de literatuur
Fictie en non-fictie; volksverhalen (sprookje, fabel, legende, sage, mythe); verhaalgenres zoals griezel, detective, fantasy, sciencefiction en historisch verhaal; gedicht; toneel; strip en graphic novel.
Verhaalelementen
Personage en hoofdpersonage, protagonist en antagonist, ruimte en tijd, verteltijd en vertelde tijd, flashback, plot, spanning en einde, thema en motief, verteller en vertelperspectief (ik-verteller, hij-verteller, alwetende verteller).
Poëzie: vers, strofe, rijm en ritme
Gedicht, vers en strofe (distichon, kwatrijn, couplet), refrein, rijm naar klank (volrijm, assonantie, alliteratie) en naar plaats (eindrijm, binnenrijm, beginrijm), rijmschema's (gepaard, gekruist, omarmend) en ritme en metrum.
Beeldspraak en stijlfiguren
Wat een stijlfiguur is; beeldspraak (vergelijking, metafoor, personificatie); overdrijving, herhaling, alliteratie, klanknabootsing, contrast; en daarnaast eufemisme, ironie en climax.
Bekroonde jeugdliteratuur en leesbevordering
Vakjury's en jonge lezersjury's; de Boon, de Gouden Griffel, de Woutertje Pieterse Prijs, de Kinderjury en de Leesjury; boeken kiezen en praten over leesbeleving.