KKennisToetsLager onderwijs

Woordsoorten

De tien woordsoorten van het Nederlands met hun kenmerken, het lidwoord en het genus, de trappen van vergelijking en hoe de functie in de zin de woordsoort bepaalt.

9 min lezen 7 doelen15 bronnen

Waarom dit ertoe doet

Woordsoorten benoemen, ook taalkundig ontleden genoemd , is de basis van alle grammatica en van de werkwoordspelling: wie niet ziet dat gebeurd een werkwoordsvorm is en verbrande een bijvoeglijk gebruikte vorm, maakt spellingfouten. Tegen het einde van het 4de leerjaar kennen leerlingen het zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, lidwoord, telwoord, voorzetsel, voegwoord en werkwoord; in het 6de leerjaar komt het voornaamwoord erbij .

De tien woordsoorten

Het Nederlands kent tien woordsoorten: werkwoorden, zelfstandige naamwoorden, bijvoeglijke naamwoorden, voornaamwoorden, bijwoorden, lidwoorden, telwoorden, voegwoorden, voorzetsels en tussenwerpsels .

woordsoortwat het doetvoorbeelden
zelfstandig naamwoordduidt een zelfstandigheid aan: persoon, dier, ding, plaats of begriphuis, vrouw, liefde, Gent
lidwoordstaat voor een zelfstandig naamwoordde, het, een
bijvoeglijk naamwoordbenoemt een eigenschap of toestandmooi, rood, wakker
telwoordgeeft een aantal of rangnummer aanvijf, veel, tiende, laatste
werkwoordgeeft een handeling, toestand of proces aanlopen, zijn, groeien
voornaamwoordverwijst naar personen, dieren of dingen zonder ze te noemenik, mijn, die, iedereen
bijwoordgeeft meer informatie over een ander woord of de hele zinheel, morgen, niet, hier
voorzetselverbindt zinsdelenaan, in, op, voor, met
voegwoordvoegt zinnen of woordgroepen samenen, maar, omdat, dat
tussenwerpselheeft geen grammaticale functie, kan een losse uitroep zijnhallo, au, oei

De omschrijvingen komen van Onze Taal .

Het zelfstandig naamwoord en het lidwoord

Een zelfstandig naamwoord benoemt een zelfstandigheid: mensen, dieren, dingen, plaatsen en abstracte begrippen . Je kunt er meestal een lidwoord voor zetten. Je onderscheidt:

  • soortnaam (een stad) en eigennaam (Antwerpen) ;
  • enkelvoud en meervoud (boek, boeken);
  • verkleinwoord (boekje);
  • genus: mannelijk, vrouwelijk of onzijdig. De-woorden zijn mannelijk of vrouwelijk, het-woorden zijn onzijdig. De eindtermen noemen deze begrippen als termen die leerlingen moeten kunnen gebruiken .

Het Nederlands heeft drie lidwoorden: de en het zijn de bepaalde lidwoorden, een is het onbepaald lidwoord .

Het bijvoeglijk naamwoord en de trappen van vergelijking

Een bijvoeglijk naamwoord benoemt een eigenschap of toestand van een ander woord . Het kan voor het zelfstandig naamwoord staan (de blonde jongen), maar ook achter een koppelwerkwoord (De auto is rood.).

Met de trappen van vergelijking vergelijk je twee of meer zaken :

stellende trapvergrotende trapovertreffende trap
mooimooiermooist
nieuwnieuwernieuwst
goedbeterbest
veelmeermeest
weinigminderminst
graaglieverliefst

De vergrotende trap krijgt meestal -er, de overtreffende trap -st; goed, veel, weinig en graag zijn onregelmatig . Bij lange of moeilijk uitspreekbare vormen gebruik je meest: het meest logisch .

Het telwoord

Telwoorden geven het aantal of het rangnummer aan :

  • hoofdtelwoorden: bepaald (vijf, drieëntwintig, miljoen) of onbepaald (veel, weinig);
  • rangtelwoorden: bepaald (achtste, twintigste) of onbepaald (laatste, middelste, zoveelste).

Bijwoord, voorzetsel, voegwoord en tussenwerpsel

Een bijwoord geeft meer informatie over een ander woord of over de hele zin: in Zij is heel aardig hoort heel bij aardig; in Ik kom morgen niet zijn morgen en niet bijwoorden .

Een voorzetsel verbindt zinsdelen: aan de muur, in de kast, op donderdag .

Een voegwoord voegt zinnen of woordgroepen samen :

  • nevenschikkend (twee gelijkwaardige delen): en, maar, of, want, dus;
  • onderschikkend (leidt een bijzin in): dat, omdat, als, toen, terwijl, voordat, nadat, doordat, zodat.

Een tussenwerpsel heeft geen grammaticale functie en staat los van de rest van de zin: Hallo! Au! Tss .

De functie bepaalt de woordsoort

Hetzelfde woord kan in verschillende zinnen een andere woordsoort zijn. Kijk daarom altijd naar wat het woord in deze zin doet:

  • Ik heb een plan. (zelfstandig naamwoord) tegenover Wij plannen een uitstap. (werkwoord)
  • Die fiets is van mij. (aanwijzend voornaamwoord) tegenover De fiets die ik kocht, is rood. (betrekkelijk voornaamwoord)
  • Ik heb een broer. (lidwoord) tegenover Ik heb maar één broer. (telwoord)

Een bijvoeglijk naamwoord kan ook bij een werkwoord staan: De auto rijdt snel. Onze Taal noemt dat een bijwoordelijk gebruikt bijvoeglijk naamwoord ; sommige methodes noemen snel in die zin een bijwoord.

Samengevat

  • Tien woordsoorten: werkwoord, zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, voornaamwoord, bijwoord, lidwoord, telwoord, voegwoord, voorzetsel, tussenwerpsel.
  • Zelfstandig naamwoord: soortnaam of eigennaam, enkelvoud of meervoud, genus; lidwoorden de, het (bepaald) en een (onbepaald).
  • Trappen van vergelijking: stellende, vergrotende (-er), overtreffende (-st); onregelmatig: goed, beter, best.
  • Telwoorden: hoofd- en rangtelwoorden, bepaald of onbepaald.
  • Voegwoorden: nevenschikkend (en, maar, want) of onderschikkend (omdat, dat, toen).
  • De functie in de zin bepaalt de woordsoort.

Test wat je onthouden hebt

Oefen meteen met de vragen en flashcards van deze les.

13 vragen 10 kaarten

Officiële doelen in deze les

Uit de minimumdoelen (LO_V2_0) en eindtermen (LO_V1_0) voor het lager onderwijs.

  • Minimumdoel 4de leerjaar · 1.4.9

    De leerlingen kennen woorden:

    • woordvorming: enkelvoud, meervoud en verbuiging, vervoeging, samenstelling, afleiding;
    • woordsoorten: zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, lidwoord, telwoord, voorzetsel, voegwoord, werkwoord;
    • werkwoordstijden: tegenwoordige tijd, verleden tijd.
  • Minimumdoel 4de leerjaar · 1.4.2

    De leerlingen kennen basisprincipes van betekenisrelaties: synoniemen, antoniemen en trappen van vergelijking.

  • Minimumdoel 4de leerjaar · 1.4.11

    De leerlingen kunnen inzichten in het taalsysteem toepassen en erover reflecteren.

  • Minimumdoel 6de leerjaar · 1.4.6

    De leerling kent woorden:

    • woordsoorten: voornaamwoord;
    • werkwoordtijden: toekomende tijd, voltooid deelwoord.

Bronnen

  1. 1

    Woordsoorten (taalkundig ontleden) · Genootschap Onze Taal

    “Deze woordsoorten zijn er: werkwoorden, zelfstandige naamwoorden, bijvoeglijke naamwoorden, voornaamwoorden,”

    https://onzetaal.nl/taalloket/woordsoorten-taalkundig-ontleden

    Geraadpleegd op 15 oktober 2026

  2. 2

    Minimumdoelen lager onderwijs (LO_V2_0), einde 4de en 6de leerjaar · Vlaamse overheid, Departement Onderwijs en Vorming

    https://onderwijsdoelen.be/doelen/LO_V2_0

    Geraadpleegd op 15 oktober 2026

  3. 3

    Zelfstandig naamwoord (wat is dat?) · Genootschap Onze Taal

    “Zelfstandige naamwoorden zijn woorden die een ‘zelfstandigheid’ aanduiden.”

    https://onzetaal.nl/taaladvies/advies/zelfstandig-naamwoord

    Geraadpleegd op 15 oktober 2026

  4. 4

    Bijvoeglijk naamwoord (wat is dat?) · Genootschap Onze Taal

    “Een bijvoeglijk naamwoord is een woord dat een eigenschap of toestand van een ander woord benoemt.”

    https://onzetaal.nl/taaladvies/advies/bijvoeglijk-naamwoord

    Geraadpleegd op 15 oktober 2026

  5. 5

    Telwoord (wat is dat?) · Genootschap Onze Taal

    “Telwoorden zijn woorden die het aantal of (rang)nummer van iets aangeven.”

    https://onzetaal.nl/taaladvies/advies/telwoord

    Geraadpleegd op 15 oktober 2026

  6. 6

    Werkwoord (wat is dat?) · Genootschap Onze Taal

    “Een werkwoord is een woord dat aangeeft welke handeling of toestand of welk proces in de zin centraal staat.”

    https://onzetaal.nl/taaladvies/advies/werkwoord

    Geraadpleegd op 15 oktober 2026

  7. 7

    Voornaamwoord (wat is dat?) · Genootschap Onze Taal

    “Een voornaamwoord is een woord dat verwijst naar personen, dieren of dingen, zonder die bij de naam te noemen.”

    https://onzetaal.nl/taaladvies/advies/voornaamwoord

    Geraadpleegd op 15 oktober 2026

  8. 8

    Bijwoord (wat is dat?) · Genootschap Onze Taal

    “Een bijwoord is een woord dat meer informatie geeft over een ander woord in de zin, of over de hele zin.”

    https://onzetaal.nl/taaladvies/advies/bijwoord

    Geraadpleegd op 15 oktober 2026

  9. 9

    Voorzetsel (wat is dat?) · Genootschap Onze Taal

    “Voorzetsels zijn woorden die zinsdelen aan elkaar verbinden.”

    https://onzetaal.nl/taaladvies/advies/voorzetsel

    Geraadpleegd op 15 oktober 2026

  10. 10

    Voegwoord (wat is dat?) · Genootschap Onze Taal

    “Voegwoorden zijn woorden die zinnen of (groepen) woorden ‘aan elkaar voegen’.”

    https://onzetaal.nl/taaladvies/advies/voegwoord

    Geraadpleegd op 15 oktober 2026

  11. 11

    Tussenwerpsel (wat is dat?) · Genootschap Onze Taal

    “Tussenwerpsels hebben geen grammaticale functie.”

    https://onzetaal.nl/taaladvies/advies/tussenwerpsel

    Geraadpleegd op 15 oktober 2026

  12. 12

    Basisbegrippen in verband met spelling (taalkundige termen) · Vlaamse overheid, Team Taaladvies

    “Een lettergreep is open als die op een lange klinker of een tweeklank eindigt”

    https://www.vlaanderen.be/team-taaladvies/spellingregels/basisbegrippen-in-verband-met-spelling-taalkundige-termen

    Geraadpleegd op 15 oktober 2026

  13. 13

    Eindtermen lager onderwijs (LO_V1_0) · Vlaamse overheid, Departement Onderwijs en Vorming

    https://onderwijsdoelen.be/doelen/LO_V1_0

    Geraadpleegd op 15 oktober 2026

  14. 14

    Lidwoord (wat is dat?) · Genootschap Onze Taal

    “Het Nederlands heeft drie lidwoorden: de, het en een.”

    https://onzetaal.nl/taaladvies/advies/lidwoord

    Geraadpleegd op 15 oktober 2026

  15. 15

    Trappen van vergelijking (wat zijn dat?) · Genootschap Onze Taal

    “De trappen van vergelijking worden gebruikt om twee of meer zaken met elkaar te vergelijken.”

    https://onzetaal.nl/taaladvies/advies/trappen-van-vergelijking

    Geraadpleegd op 15 oktober 2026

Zie je een fout of iets dat niet klopt met de bron? Meld het ons