Verhaalelementen
Personage en hoofdpersonage, protagonist en antagonist, ruimte en tijd, verteltijd en vertelde tijd, flashback, plot, spanning en einde, thema en motief, verteller en vertelperspectief (ik-verteller, hij-verteller, alwetende verteller).
Waarom dit ertoe doet
Wie een verhaal kan ontleden in zijn bouwstenen, kan het beter navertellen, bespreken en zelf schrijven. De minimumdoelen vragen op het einde van het 4de leerjaar dat leerlingen personage, hoofdpersonage en thema kennen, de plot als de belangrijkste gebeurtenissen, en de context: tijd en plaats. Ze vertellen complexere verhaallijnen na en leggen verbanden tussen de tekst en hun eigen emoties en gedachten. Op het einde van het 6de leerjaar kennen ze het vertelperspectief van de ik-verteller en situeren ze elementen uit de tekst binnen hun voorkennis .
Personages
Een personage is een door een auteur geschapen figuur die een rol speelt in een literair werk . Men onderscheidt hoofdfiguren (hoofdpersonages), die minder talrijk zijn, en bijfiguren of nevenfiguren . Personages kunnen ook dieren of zaken zijn die menselijke eigenschappen krijgen, zoals in een fabel .
- De protagonist is de hoofdrolspeler .
- De antagonist is de tegenspeler van de hoofdpersoon. Hij draagt bij aan de plot door het conflict met de protagonist . Denk aan de heks tegenover Hans en Grietje.
Een personage dat in enkele karaktertrekken beschreven wordt en nauwelijks of geen ontwikkeling doormaakt, noemt men een flat character of type. Een round character heeft meer complexiteit en psychologische diepgang . De boze stiefmoeder in een sprookje is een typisch voorbeeld van een type.
Ruimte en tijd
De ruimte is de plaats waar of de omgeving waarin de handeling van een verhaal zich afspeelt . Samen met de tijd (wanneer speelt het verhaal zich af: in de middeleeuwen, nu, in de toekomst?) vormt ze de context van het verhaal .
Bij tijd zijn er nog twee begrippen:
- Verteltijd is de tijd die de lezer nodig heeft om een verhaal te lezen .
- Vertelde tijd is de tijd die het verhaal inhoudelijk omvat .
Een boek van 200 bladzijden over één spannende nacht heeft een lange verteltijd en een korte vertelde tijd. Een zin als "Tien jaar later was Mila een volwassen vrouw" overbrugt tien jaar vertelde tijd in een paar seconden verteltijd.
Een flashback of terugblik doorbreekt het chronologische verloop van een verhaal door stukjes verleden in te lassen .
Plot
De plot is de bouw of structuur van een verhaal: hoe de gebeurtenissen georganiseerd zijn . De Britse schrijver E.M. Forster plaatste de plot tegenover de story, de louter chronologische opeenvolging van gebeurtenissen volgens het en-dan-principe . In een plot zijn de gebeurtenissen ook oorzakelijk verbonden (het daarom-principe). Forsters voorbeeld: de koning stierf en dan stierf de koningin is een story; de koning stierf en toen stierf de koningin van verdriet is een plot .
De lezer moet de chronologische volgorde van de gebeurtenissen vaak zelf reconstrueren uit de volgorde waarin de tekst ze vertelt . Bij een flashback zijn die twee volgordes verschillend.
Bij het navertellen helpt een vaste verhaalstructuur: wie, wat, waar, probleem, gevoel, oplossing, met een duidelijk begin, midden en einde .
Spanning en einde
Een verhaal is spannend als de lezer per se de afloop wil kennen . Een belangrijke techniek is vragen oproepen die pas geleidelijk, soms pas aan het slot, beantwoord worden .
- Een gesloten einde sluit het verhaal af, bijvoorbeeld met een huwelijk (happy end) of de dood (tragisch einde) .
- Een open einde geeft geen antwoord op de vragen die het verhaal stelt . De lezer moet zelf invullen hoe het verder gaat.
Thema en motief
Het thema is de belangrijkste grondgedachte van een verhaal, of nog: de kortste aanduiding van het centrale probleem waarover een tekst gaat . Voorbeelden zijn vriendschap, opgroeien, afscheid of anders zijn.
Een motief is een kleinere betekeniseenheid die vaak terugkeert in de tekst; die herhaling verbindt de delen van het verhaal . Motieven ondersteunen samen het thema.
Verteller en vertelperspectief
Het vertelperspectief is het antwoord op de vraag "Wie vertelt?" .
| verteller | kenmerk | voorbeeld |
|---|---|---|
| ik-verteller | een personage dat uit eigen naam spreekt ; het perspectief ligt bij een ik die zelf in het verhaal meespeelt | Ik trok mijn jas aan en sloop de trap af. |
| hij-verteller | een anonieme vertelinstantie, ook derdepersoonsverteller genoemd | Sami trok zijn jas aan en sloop de trap af. |
| alwetende verteller | een hij-verteller die alles weet, ook wat er in de personages omgaat, maar zelf niet als personage optreedt ; hij kan op de afloop vooruitlopen | Sami dacht dat niemand hem hoorde, maar zijn moeder lag wakker. Hij zou het pas jaren later te weten komen. |
| personale verteller | hij-verteller waarbij het perspectief bij één personage ligt; de verteller lijkt volledig afwezig | Sami hield zijn adem in. Was dat een voetstap? |
Omdat de lezer bij een ik-verteller alles alleen vanuit diens oogpunt ziet, krijgt hij geen compleet overzicht . De ik-verteller weet niet wat andere personages denken en kan zich vergissen.
Samengevat
- Personage: figuur in een verhaal. Hoofdpersonage (protagonist) tegenover bijfiguren; de antagonist is de tegenspeler.
- Ruimte = plaats en omgeving; samen met tijd de context. Verteltijd = leestijd, vertelde tijd = tijd die het verhaal omvat. Flashback = terugblik.
- Plot = structuur en samenhang van de gebeurtenissen.
- Spanning ontstaat door vragen die pas later beantwoord worden. Open einde: vragen blijven open. Gesloten einde: verhaal is afgerond.
- Thema = grondgedachte; motief = terugkerend element dat het thema ondersteunt.
- Ik-verteller: personage dat vertelt, beperkt perspectief. Hij-verteller: vertelt in de derde persoon; alwetend of vanuit één personage. Verteller is niet de auteur.
Test wat je onthouden hebt
Oefen meteen met de vragen en flashcards van deze les.
Officiële doelen in deze les
Uit de minimumdoelen (LO_V2_0) en eindtermen (LO_V1_0) voor het lager onderwijs.
- Minimumdoel 6de leerjaar · 1.5.1
De leerling kent vertelperspectief: ik-verteller.
- Minimumdoel 6de leerjaar · 1.5.4
De leerling kan elementen uit de tekst situeren binnen zijn/haar vakspecifieke kennis en voorkennis.
- Minimumdoel 4de leerjaar · 1.5.1
De leerlingen kennen personage, hoofdpersonage, thema.
- Minimumdoel 4de leerjaar · 1.5.2
De leerlingen kennen plot: belangrijkste gebeurtenissen.
Bronnen
- 1
Minimumdoelen lager onderwijs (LO_V2_0), einde 4de en 6de leerjaar · Vlaamse overheid, Departement Onderwijs en Vorming
https://onderwijsdoelen.be/doelen/LO_V2_0Geraadpleegd op 15 oktober 2026
- 2
personage, Algemeen letterkundig lexicon · DBNL, Algemeen letterkundig lexicon (2012-....)
“Men maakt onderscheid tussen hoofdfiguren, die minder talrijk zijn, en bij- of nevenfiguren.”
https://www.dbnl.org/tekst/dela012alge01_01/dela012alge01_01_02566.phpGeraadpleegd op 15 oktober 2026
- 3
protagonist, Algemeen letterkundig lexicon · DBNL, Algemeen letterkundig lexicon (2012-....)
“De hoofdrolspeler in een literair werk, doorgaans een dramatische tekst”
https://www.dbnl.org/tekst/dela012alge01_01/dela012alge01_01_02662.phpGeraadpleegd op 15 oktober 2026
- 4
antagonist, Algemeen letterkundig lexicon · DBNL, Algemeen letterkundig lexicon (2012-....)
“De antagonist behoort als tegenspeler van de hoofdpersoon (protagonist) tot de dramatis personae van een literair werk.”
https://www.dbnl.org/tekst/dela012alge01_01/dela012alge01_01_00728.phpGeraadpleegd op 15 oktober 2026
- 5
ruimte, Algemeen letterkundig lexicon · DBNL, Algemeen letterkundig lexicon (2012-....)
“ter aanduiding van de locatie, de plaats waar of de omgeving waarin de handeling of geschiedenis van een literair werk zich afspeelt”
https://www.dbnl.org/tekst/dela012alge01_01/dela012alge01_01_03153.phpGeraadpleegd op 15 oktober 2026
- 6
verteltijd/vertelde tijd, Algemeen letterkundig lexicon · DBNL, Algemeen letterkundig lexicon (2012-....)
“Verteltijd is de tijd die de lezer nodig heeft om een verhaal(fragment) te lezen”
https://www.dbnl.org/tekst/dela012alge01_01/dela012alge01_01_03213.phpGeraadpleegd op 15 oktober 2026
- 7
flashback, Algemeen letterkundig lexicon · DBNL, Algemeen letterkundig lexicon (2012-....)
“die het chronologische verloop van een verhaal (toneelstuk, film, etc.) doorbreekt door het inlassen van stukjes verleden”
https://www.dbnl.org/tekst/dela012alge01_01/dela012alge01_01_00912.phpGeraadpleegd op 15 oktober 2026
- 8
plot, Algemeen letterkundig lexicon · DBNL, Algemeen letterkundig lexicon (2012-....)
“waarmee de organisatie van de tekstgegevens, d.w.z. de bouw of structuur van de tekst wordt bedoeld”
https://www.dbnl.org/tekst/dela012alge01_01/dela012alge01_01_02696.phpGeraadpleegd op 15 oktober 2026
- 9
fabula/suzjet, Algemeen letterkundig lexicon · DBNL, Algemeen letterkundig lexicon (2012-....)
“De fabula is niet direct beschikbaar maar moet door de lezer in zijn chronologische en logische samenhang worden geconstrueerd op basis van de suzjet”
https://www.dbnl.org/tekst/dela012alge01_01/dela012alge01_01_04314.phpGeraadpleegd op 15 oktober 2026
- 10
Verhaalpicto's inzetten als houvast om verhalen te begrijpen en zelf te vertellen (workshop Taal Telt, 6 mei 2024) · Vlaamse overheid, Departement Onderwijs en Vorming (Nele Martens en Helena Taelman)
“Vanaf L1: wie wat waar probleem gevoel oplossing”
https://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestanden/taal-telt-6-5-2024-workshop-1-9.pdfGeraadpleegd op 15 oktober 2026
- 11
spanning, Algemeen letterkundig lexicon · DBNL, Algemeen letterkundig lexicon (2012-....)
“Een van de manipulatietechnieken is het oproepen van vragen die pas geleidelijk, soms pas aan het slot, beantwoord worden.”
https://www.dbnl.org/tekst/dela012alge01_01/dela012alge01_01_03171.phpGeraadpleegd op 15 oktober 2026
- 12
open einde, Algemeen letterkundig lexicon · DBNL, Algemeen letterkundig lexicon (2012-....)
“Een tekst heeft een open einde als hij geen antwoord geeft op de vragen die hij stelt.”
https://www.dbnl.org/tekst/dela012alge01_01/dela012alge01_01_03976.phpGeraadpleegd op 15 oktober 2026
- 13
thema, Algemeen letterkundig lexicon · DBNL, Algemeen letterkundig lexicon (2012-....)
“Korte aanduiding van de belangrijkste grondgedachte van een literair werk”
https://www.dbnl.org/tekst/dela012alge01_01/dela012alge01_01_03235.phpGeraadpleegd op 15 oktober 2026
- 14
motief, Algemeen letterkundig lexicon · DBNL, Algemeen letterkundig lexicon (2012-....)
“De verbindende functie die aan het motief wordt toegekend, komt voort uit het effect van de herhaling.”
https://www.dbnl.org/tekst/dela012alge01_01/dela012alge01_01_02171.phpGeraadpleegd op 15 oktober 2026
- 15
Vertelperspectief · Wikipedia (nl)
“Het vertelperspectief (ook vertelinstantie of verteller) is in de narratologie het antwoord op de vraag "Wie vertelt?".”
https://nl.wikipedia.org/wiki/VertelperspectiefGeraadpleegd op 15 oktober 2026
- 16
verteller, Algemeen letterkundig lexicon · DBNL, Algemeen letterkundig lexicon (2012-....)
“Een anonieme vertelinstantie, ook wel hij-verteller, derdepersoonsverteller of neutrale verteller genoemd.”
https://www.dbnl.org/tekst/dela012alge01_01/dela012alge01_01_03264.phpGeraadpleegd op 15 oktober 2026
- 17
ik-verteller, Algemeen letterkundig lexicon · DBNL, Algemeen letterkundig lexicon (2012-....)
“Vertelvorm waarin het perspectief ligt bij een ‘ik’ die als verteller tevens personage is in het vertelde.”
https://www.dbnl.org/tekst/dela012alge01_01/dela012alge01_01_01030.phpGeraadpleegd op 15 oktober 2026
- 18
alwetende verteller, Algemeen letterkundig lexicon · DBNL, Algemeen letterkundig lexicon (2012-....)
“Zo kan hij op de afloop vooruit lopen”
https://www.dbnl.org/tekst/dela012alge01_01/dela012alge01_01_00635.phpGeraadpleegd op 15 oktober 2026
- 19
personale vertelwijze, Algemeen letterkundig lexicon · DBNL, Algemeen letterkundig lexicon (2012-....)
“Bij de personale vertelvorm lijkt de verteller volledig afwezig te zijn.”
https://www.dbnl.org/tekst/dela012alge01_01/dela012alge01_01_02649.phpGeraadpleegd op 15 oktober 2026
Zie je een fout of iets dat niet klopt met de bron? Meld het ons