KKennisToetsLager onderwijs

De vier hoofdbewerkingen: betekenis, termen en relaties

Wat optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen betekenen in situaties, de vaktermen voor elk onderdeel van een bewerking, het verband D = d × q + r, en de relaties tussen de bewerkingen.

9 min lezen 17 doelen5 bronnen

Waarom dit ertoe doet

Een leerling die een vraagstuk niet kan "vertalen" naar de juiste bewerking, komt niet ver, ook al rekent hij foutloos. Daarom vragen de minimumdoelen dat leerlingen de verschillende betekenissen van elke bewerking kennen en betekenisvolle situaties kunnen omzetten naar bewerkingen . Daarnaast moet je als leerkracht de juiste vaktaal gebruiken: term, som, aftrektal, factor, deeltal, quotiënt.

Betekenissen van de bewerkingen

Optellen en aftrekken

De minimumdoelen onderscheiden drie situaties :

situatieoptellenaftrekken
oorzaak-veranderingIk heb 8 knikkers en win er 5.Ik heb 13 knikkers en verlies er 5.
combinatie (samenvoegen)8 jongens en 5 meisjes: hoeveel kinderen?13 kinderen, 8 jongens: hoeveel meisjes?
vergelijkingJan heeft 8 knikkers, Piet 5 meer.Jan heeft 13, Piet 8: hoeveel meer heeft Jan?

Vermenigvuldigen

Ook vermenigvuldigen heeft verschillende betekenissen :

  • keerhandeling (herhaalde optelling): 6 keer een zakje met 24 knikkers;
  • rooster (rechthoek): een moestuin met 4 rijen van 9 plantjes;
  • vergelijking: jij hebt 3 keer zoveel strips als je vriend, die er 18 heeft;
  • combinatie: 4 soorten soep en 5 broodjes geven 4 × 5 = 20 mogelijke maaltijden.

Delen

Bij delen zijn er twee situaties die tot dezelfde bewerking leiden :

soortvraagvoorbeeld
verdelingsdelinghoe groot is elk deel?15 snoepjes eerlijk verdelen over 3 kinderen: elk 5
verhoudingsdelinghoeveel keer past het erin?15 snoepjes in zakjes van 5: 3 zakjes

Het verband: 6 : 2 = 3 kun je lezen als "6 verdelen over 2, elk 3" én als "hoeveel keer gaat 2 in 6? 3 keer" . De verdelingsdeling komt meestal eerst aan bod, omdat kinderen het idee "eerlijk verdelen" al kennen. De verhoudingsdeling sluit aan bij herhaald aftrekken .

Een deling is opgaand als er geen rest is (15 : 5 = 3) en niet-opgaand als er een rest is (17 : 5 = 3 rest 2).

Vaktermen

bewerkingvoorbeeldnamen
optelling8 + 5 = 138 en 5 zijn de termen, 13 is de som
aftrekking13 − 5 = 813 is het aftrektal, 5 de aftrekker, 8 het verschil
vermenigvuldiging4 × 9 = 364 en 9 zijn de factoren (4 de vermenigvuldiger, 9 het vermenigvuldigtal), 36 is het product
deling17 : 5 = 3 rest 217 is het deeltal, 5 de deler, 3 het quotiënt, 2 de rest

Bronnen: .

In 18 × 24 ("18 keer 24") is 18 de vermenigvuldiger en 24 het vermenigvuldigtal. Omdat vermenigvuldigen commutatief is, noemt men beide ook gewoon factoren .

Tekens

Leerlingen benoemen en gebruiken deze symbolen : + (plus), − (min), × of · (maal, keer), : of / of ÷ (gedeeld door), = (is gelijk aan), ≠ (is niet gelijk aan), % (procent) en haakjes ( ). In het onderwijs noteert men een deling meestal met een dubbelpunt: 90 : 6 = 15 .

Deeltal, deler, quotiënt en rest: D = d × q + r

Bij elke deling met rest geldt :

D=d×q+rD = d \times q + r

met D het deeltal, d de deler, q het quotiënt en r de rest. De rest is altijd kleiner dan de deler.

Delen door 0 is niet mogelijk . Er bestaat geen getal dat je met 0 kunt vermenigvuldigen om bijvoorbeeld 5 te krijgen.

Relaties tussen de bewerkingen

  • Vermenigvuldigen is herhaald optellen: 3 × 36 = 36 + 36 + 36 .
  • Delen is herhaald aftrekken (of sprongen tellen): hoeveel keer kun je 12 van 74 aftrekken?
  • Optellen en aftrekken zijn elkaars omgekeerde (inverse) bewerking : 8 + 5 = 13, dus 13 − 5 = 8 en 13 − 8 = 5.
  • Vermenigvuldigen en delen zijn elkaars inverse bewerking : 4 × 9 = 36, dus 36 : 9 = 4 en 36 : 4 = 9.

Bij elke vermenigvuldiging horen dus twee delingen: een verdelingsdeling en een verhoudingsdeling . Die relaties gebruik je om te controleren (de omgekeerde bewerking) en om ontbrekende getallen te zoeken: ... × 7 = 56 los je op met 56 : 7 = 8.

Parate kennis

Het fundament van alle rekenwerk is geautomatiseerde kennis :

  • de splitsingen tot en met 10;
  • de optellingen en aftrekkingen tot en met 20;
  • de maal- en deeltafels van 1 tot en met 10.

Wie de tafels onvoldoende beheerst, maakt fouten bij hoofdrekenen én bij cijferen . Bij het leren van de tafels zijn "kapstokproducten" (× 2, × 5, × 10) en strategieën als "één keer meer" en "één keer minder" belangrijk: 6 × 7 = 5 × 7 + 7 en 9 × 7 = 10 × 7 − 7 .

Samengevat

  • Optellen en aftrekken: oorzaak-verandering, combinatie, vergelijking.
  • Vermenigvuldigen: keerhandeling, rooster, vergelijking, combinatie.
  • Delen: verdelingsdeling (hoe groot is elk deel?) en verhoudingsdeling (hoeveel keer past het?); opgaand of niet-opgaand.
  • Vaktermen: termen en som; aftrektal, aftrekker en verschil; factoren (vermenigvuldiger, vermenigvuldigtal) en product; deeltal, deler, quotiënt en rest.
  • D = d × q + r, met de rest kleiner dan de deler. Delen door 0 kan niet.
  • Optellen en aftrekken, vermenigvuldigen en delen zijn elkaars inverse; dat gebruik je om te controleren en om ontbrekende getallen te zoeken.
  • Splitsingen tot 10, optellingen tot 20 en de tafels moeten paraat zijn.

Test wat je onthouden hebt

Oefen meteen met de vragen en flashcards van deze les.

13 vragen 11 kaarten

Officiële doelen in deze les

Uit de minimumdoelen (LO_V2_0) en eindtermen (LO_V1_0) voor het lager onderwijs.

  • Minimumdoel 4de leerjaar · 2.1.1

    De leerlingen kennen paraat de splitsingen tot en met 10 [F].

  • Minimumdoel 4de leerjaar · 2.2.1

    De leerlingen kennen het optellen/aftrekken als: oorzaak-verandering, combinatie, vergelijking [I].

    < bv. zie bewerkingen kleuter >

  • Minimumdoel 4de leerjaar · 2.2.2

    De leerlingen kennen het vermenigvuldigen als: keerhandeling, rooster, vergelijking, combinatie [I].

    < bv. * keerhandeling: ik neem 6 keer een zakje met 24 knikkers, hoeveel knikkers heb ik?

    • rooster: een moestuin heeft 4 rijen met 9 plantjes in elke rij, hoeveel plantjes zijn er?
    • vergelijking: je hebt 3 keer zoveel stripboeken als jouw vriend, jouw vriend heeft er 18, hoeveel heb jij er?
    • combinatie: je hebt 4 soorten soep en 5 verschillende broodjes, hoeveel verschillende maaltijden kun je samenstellen? >
  • Minimumdoel 4de leerjaar · 2.2.3

    De leerlingen kennen het delen als: verdelingsdeling, verhoudingsdeling, opgaande en niet-opgaande deling [I].

    < bv. * verdelingsdeling: ik heb 8 knikkers, ik verdeel ze over twee vrienden, hoeveel elk?

    • verhoudingsdeling: ik heb 8 knikkers, ik maak zakjes van 2 knikkers, hoeveel zakjes? >

Bronnen

  1. 1

    Minimumdoelen lager onderwijs (LO_V2_0), einde 4de en 6de leerjaar · Vlaamse overheid, Departement Onderwijs en Vorming

    https://onderwijsdoelen.be/doelen/LO_V2_0

    Geraadpleegd op 15 oktober 2026

  2. 2

    Wiskunde A, cursus lerarenopleiding lager onderwijs (versie 2019-2020) · AP Hogeschool Antwerpen

    “Het talstelsel dat wij dagdagelijks gebruiken is het tiendelige of decimale talstelsel, omdat het grondtal 10 is.”

    https://www.ap.be/sites/default/files/Cursus%20Wiskunde%20A%20%28lager%20flex%29.pdf

    Geraadpleegd op 15 oktober 2026

  3. 3

    Optellen · Wikipedia (nl)

    “De inverse (tegengestelde) bewerking van optellen is aftrekken.”

    https://nl.wikipedia.org/wiki/Optellen

    Geraadpleegd op 15 oktober 2026

  4. 4

    Vermenigvuldigen · Wikipedia (nl)

    “Het resultaat van de vermenigvuldiging heet het product (van de factoren).”

    https://nl.wikipedia.org/wiki/Vermenigvuldigen

    Geraadpleegd op 15 oktober 2026

  5. 5

    Delen · Wikipedia (nl)

    “Bij delen wordt het deeltal door de deler gedeeld, wat als resultaat het quotiënt van het deeltal en de deler oplevert.”

    https://nl.wikipedia.org/wiki/Delen

    Geraadpleegd op 15 oktober 2026

Zie je een fout of iets dat niet klopt met de bron? Meld het ons