Rekenen met procenten
Een procent van een getal nemen, berekenen hoeveel procent iets is, het geheel zoeken, toename en afname met een vermenigvuldigingsfactor, korting en btw, en de valkuilen bij het optellen van percentages.
Waarom dit ertoe doet
Procenten komen in het dagelijks leven zeer veel voor, maar worden niet altijd correct gebruikt . Een leerling moet een procent van een getal kunnen nemen en betekenisvolle situaties met procenten kunnen omzetten naar een bewerking . Kern van deze les: een procent van een getal is een vermenigvuldigingsfactor .
Drie soorten procentvragen
De AP-cursus onderscheidt deel-geheelsituaties en veranderingssituaties . Bij deel-geheel is telkens één van drie dingen onbekend:
| gegeven | gevraagd | voorbeeld |
|---|---|---|
| geheel en procent | het deel | In een pot jam van 450 g zit 40% vruchten. Hoeveel gram? |
| geheel en deel | het procent | 28 van de 35 eerste services zijn goed. Welk procent? |
| deel en procent | het geheel | 35% van het spaargeld is € 63. Hoeveel spaargeld? |
Veranderingssituaties (toename en afname) zijn moeilijker dan deel-geheelsituaties, en het geheel zoeken is moeilijker dan het deel zoeken .
Een procent van een getal nemen
"5% korting" betekent: voor elke € 100 krijg je € 5 korting . Er zijn verschillende werkwijzen.
Als breuk (operator): 25% van € 4 800 = van € 4 800 = € 1 200 .
Als kommagetal (vermenigvuldigingsfactor): 40% van 450 g = 0,4 × 450 g = 180 g . In een berekening staat 40% gewoon voor het getal 0,4 .
Via 1% of 10%:
- 3% van 750: 1% = 7,5, dus 3% = 22,5.
- 15% van 80: 10% = 8 en 5% = 4, samen 12.
Met de verhoudingstabel:
| procent | 100 | 1 | 6 |
|---|---|---|---|
| bedrag (€) | 250 | 2,5 | 15 |
6% van € 250 = € 15.
Hoeveel procent is het?
Maak een breuk deel over geheel en zet die om naar honderdsten:
- 28 van 35 = = = = 80%.
- 10 is hoeveel procent van 50? = = 20%.
- 200 van 10 000 = = 2%.
Met een rekenmachine: deel door het geheel en vermenigvuldig met 100. 7 van 25 = 7 : 25 = 0,28 = 28% .
Het geheel zoeken
Wout besteedt 35% van zijn spaargeld aan een computerspel van € 63. Hoeveel spaargeld had hij ?
- 35% is € 63, dus 5% is € 63 : 7 = € 9;
- 100% is 20 × € 9 = € 180.
Of met de verhoudingstabel: 35 → 63, 5 → 9, 100 → 180.
Toename en afname: werken met een factor
Een verandering in procent kun je in één vermenigvuldiging uitrekenen:
| verandering | het nieuwe bedrag is | factor |
|---|---|---|
| 10% duurder | 110% | × 1,1 |
| 21% btw erbij | 121% | × 1,21 |
| 20% korting | 80% | × 0,8 |
| 15% korting | 85% | × 0,85 |
Btw terugrekenen
Een toestel kost € 1 210, btw van 21% inbegrepen. Hoeveel kost het zonder btw?
Het bedrag met btw is 121% van de prijs zonder btw. Dus: € 1 210 : 1,21 = € 1 000.
Valkuilen
Percentages zomaar optellen. In een klas heeft 15% leesproblemen en 10% rekenproblemen. Je mag niet besluiten dat 25% een probleem heeft: sommige kinderen tellen dubbel . Percentages van hetzelfde geheel en van niet-overlappende delen mag je wel optellen.
Opeenvolgende procenten. 20% erbij en daarna 20% eraf geeft niet het beginbedrag: 1,2 × 0,8 = 0,96, dus in totaal 4% minder .
Een procent van een procent. Ongeveer 60% van de Vlamingen gaat op reis, en 40% daarvan gaat naar het buitenland . Dat is 40% van 60% = 0,4 × 0,6 = 0,24, dus 24% van alle Vlamingen.
Korting en btw combineren
Een zwembad kost € 2 750 zonder btw, met 21% btw en 15% korting. Omdat vermenigvuldigen commutatief is, maakt de volgorde niet uit: € 2 750 × 1,21 × 0,85 = € 2 828,375, afgerond € 2 828,38 .
Samengevat
- Een procent van een getal is een vermenigvuldiging: 40% van 450 = 0,4 × 450 = 180.
- Werk via een breuk (25% = ), een kommagetal (40% = 0,4), via 1% of 10%, of met de verhoudingstabel.
- Hoeveel procent: deel over geheel, omzetten naar honderdsten.
- Het geheel zoeken: van het procent terugrekenen naar 1% of 5% en dan naar 100%.
- Toename en afname: vermenigvuldig met een factor (10% erbij = × 1,1; 20% korting = × 0,8).
- Een prijs zonder btw vind je door te delen door 1,21, niet door 21% af te trekken.
- Percentages niet zomaar optellen; 20% erbij en 20% eraf is 4% minder.
Test wat je onthouden hebt
Oefen meteen met de vragen en flashcards van deze les.
Officiële doelen in deze les
Uit de minimumdoelen (LO_V2_0) en eindtermen (LO_V1_0) voor het lager onderwijs.
- Minimumdoel 6de leerjaar · 2.2.4
De leerling kan** **betekenisvolle situaties omzetten naar bewerkingen met breuken en procenten.
- Minimumdoel 6de leerjaar · 2.2.13
De leerling kent een procent van een getal als een vermenigvuldigingsfactor [I].
- Minimumdoel 6de leerjaar · 2.2.18
De leerling kan een procent van een getal nemen.
- Minimumdoel 6de leerjaar · 2.2.22
De leerling kan een digitale rekentool gebruiken voor:
- het uitvoeren van complexere berekeningen (grote getallen, decimale getallen met veel cijfers);
- het bepalen van de rest bij een deling;
- het berekenen van procenten.
Bronnen
- 1
Wiskunde A, cursus lerarenopleiding lager onderwijs (versie 2019-2020) · AP Hogeschool Antwerpen
“Het talstelsel dat wij dagdagelijks gebruiken is het tiendelige of decimale talstelsel, omdat het grondtal 10 is.”
https://www.ap.be/sites/default/files/Cursus%20Wiskunde%20A%20%28lager%20flex%29.pdfGeraadpleegd op 15 oktober 2026
- 2
Minimumdoelen lager onderwijs (LO_V2_0), einde 4de en 6de leerjaar · Vlaamse overheid, Departement Onderwijs en Vorming
https://onderwijsdoelen.be/doelen/LO_V2_0Geraadpleegd op 15 oktober 2026
- 3
Procent · Wikipedia (nl)
“Een procent (van Latijn: pro centum, per honderd), aangeduid door het procentteken (%), is een honderdste deel.”
https://nl.wikipedia.org/wiki/ProcentGeraadpleegd op 15 oktober 2026
- 4
Vermenigvuldigen · Wikipedia (nl)
“Het resultaat van de vermenigvuldiging heet het product (van de factoren).”
https://nl.wikipedia.org/wiki/VermenigvuldigenGeraadpleegd op 15 oktober 2026
Zie je een fout of iets dat niet klopt met de bron? Meld het ons