KKennisToetsLager onderwijs

Officiële doelen

De minimumdoelen als leidraad

De minimumdoelen zijn de leidraad voor de KennisToets. Hier vind je ze allemaal, letterlijk zoals de Vlaamse overheid ze publiceert, met de lessen in dit platform die elk doel behandelen.
120 van 120 inhoudelijke doelen gedekt door een lesonderwijsdoelen.be
Uitgangspunten en visie bij deze doelen

Visie op het vak wiskunde Wiskunde is de wetenschap van hoeveelheden, patronen en structuren. Het is de taal van wetenschap en techniek en een onmisbaar hulpmiddel in ons dagelijks leven. Door het herkennen en generaliseren van patronen, wordt wiskunde in uiteenlopende contexten en problemen toepasbaar. Een leerling ontdekt bijvoorbeeld dat 3 appels en 2 appels samen 5 appels vormen, en dat ditzelfde patroon geldt voor peren, stoelen of andere objecten. Dit leidt tot de abstracte notatie 3 + 2 = 5, onafhankelijk van de context. Door deze abstractie ontstaan inzichten die de basis vormen van zowel alledaagse toepassingen als geavanceerde wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen. Wiskunde is een fundamenteel onderdeel van menselijke kennis en speelt een cruciale rol in de moderne kennismaatschappij. De praktische, maatschappelijke en vormende waarde van het schoolvak wiskunde wordt vaak beschreven aan de hand van drie dimensies: wiskundige geletterdheid, wiskunde in een beroepscontext en wiskunde als wetenschap.

  • Wiskundige geletterdheid Wiskundige geletterdheid omvat de wiskundevaardigheden die nodig zijn om volwaardig te participeren in de samenleving en functionele problemen op te lossen. Het betekent dat iemand de rol van wiskunde in de wereld herkent, begrijpt en toepast om weloverwogen beslissingen te nemen. Wiskundige geletterdheid is essentieel voor kritisch burgerschap en actieve maatschappelijke deelname.

  • Wiskunde in een beroepscontext Naast wiskundige geletterdheid vragen veel beroepen om specifieke wiskundige vaardigheden. Een kapper rekent met verhoudingen bij het mengen van haarkleuren, terwijl een bedrijfseconoom wiskundige modellen gebruikt om winstprognoses te maken. Deze toepassingen vragen om inzicht in wiskundige concepten die verder gaan dan wiskundige geletterdheid en afgestemd zijn op de context van het beroep.

  • Wiskunde als wetenschap Wiskunde als wetenschap, soms ‘zuivere wiskunde’ genoemd, omvat de formele, deductieve opbouw van wiskunde en de onderliggende logische redeneringen. In de basisschool start dit met het proces van het leren abstraheren, wat de opbouwende waarde voor het vervolgonderwijs ondersteunt. Onze samenleving heeft een blijvende behoefte aan experts die complexe wiskundige problemen kunnen oplossen en innovatieve technologieën kunnen ontwikkelen.

Een curriculum voor wiskunde Een kennisrijk wiskundeonderwijs vertrekt vanuit een samenhangend geheel van concepten, feiten en procedures, in plaats van losse vaardigheden. Dit vraagt om een logische, cumulatieve opbouw binnen en tussen de verschillende onderwerpen, waarbij nieuwe leerinhouden voortbouwen op eerder verworven kennis. Een verticale progressie zorgt ervoor dat elk leerjaar een bouwsteen vormt voor verdere ontwikkeling, met ankerpunten die zowel herhaling, verdieping als probleemoplossend vermogen mogelijk maken. Betekenisvolle contexten spelen een belangrijke rol binnen het wiskundeonderwijs. Daarnaast is het ontwikkelen van een abstract denksysteem waarin conceptuele kennis generiek toepasbaar is, even essentieel. Dit betekent dat leerlingen niet enkel leren hoe ze bijvoorbeeld een winkelprijs berekenen, maar ook begrijpen hoe breuken, decimale getallen en procenten met elkaar samenhangen. In de vakliteratuur wordt het belang benadrukt van conceptueel inzicht, waarbij wiskunde niet vernauwd mag worden tot het toepassen van regeltjes. Bij de ontwikkeling van de minimumdoelen wiskunde is uitgegaan van onderstaand model, geïnspireerd door de kennis taxonomie van Van Streun (2001), de vijf strengen van wiskundige bekwaamheid van Kilpatrick (2001) en het Nieuw-Zeelandse curriculum (2025): We maken een onderscheid tussen declaratieve kennis (‘kennen’) die verder toegepast wordt in procedurele kennis (‘kunnen’), waarbij de declaratieve kennis verder wordt opgesplitst in inzichtelijke en feitelijke kennis. Feitelijke kennis bereik je niet door te memoriseren, maar door te automatiseren. Daarbij maakt een leerling zich een strategie eigen, die hij steeds opnieuw oefent en verkort. Op een gegeven moment gaat dit proces zo snel dat een leerling het antwoord paraat ter beschikking heeft. Het onderscheid tussen inzichtelijke, feitelijke en procedurele kennis is niet strikt , maar een iteratief proces. Ook als leerlingen een concept nog niet volledig doorgronden, kan oefenen toch al waardevol zijn. Het ontwikkelen van procedurele kennis is belangrijk om procedures efficiënt en nauwkeurig uit te voeren. Dit stelt leerlingen in staat om complexere problemen aan te pakken zonder overbelasting van het werkgeheugen. Inzichtelijke, feitelijke en procedurele kennis zijn verstrengeld en kunnen, mits voldoende gespreide herhaling, uitgroeien tot een samenhangend geheel en zo bijdragen aan kwalitatief wiskundeonderwijs. In de doelen wordt een onderscheid gemaakt tussen kennen en kunnen. Binnen de doelzinnen onder kennen wordt steeds aangegeven of het over inzichtelijk kennen [I], feitelijk kennen [F] of beide gaat [I/F]. De dubbele aanduiding [I/F] vermijdt onnodige herhalingen. Hoewel ‘kennen’ in de formulering altijd voor ‘kunnen’ staat, betekent dit niet dat inzichten en feiten noodzakelijk voorafgaan aan vaardigheid. Oefenen kan al voordat een concept volledig begrepen is. Door regelmatig en gevarieerd te oefenen, versterken kennis en vaardigheid elkaar. Vakspecifieke onderwerpen De minimumdoelen wiskunde voor het basisonderwijs zijn ingedeeld in zes onderwerpen: getalbegrip, bewerkingen, meten & metend rekenen, meetkunde, statistiek & kansrekenen en vraagstukken & probleemoplossend denken. We hanteren hierbij de klassieke opdeling die in Vlaanderen gangbaar is , zodat de minimumdoelen herkenbaar en toegankelijk zijn. Andere raamwerken, zoals PISA, hanteren een iets andere, maar erg gelijkaardige indeling van wiskundige onderwerpen. Voor elk onderwerp zijn er voor drie mijlpalen minimumdoelen geformuleerd: het einde van de kleuterschool, het 4e leerjaar en het 6e leerjaar. Hieronder worden de onderwerpen omschreven, evenals de kernconcepten die verworven worden voor de overstap naar het secundair onderwijs.

  • Getallenkennis Het onderwerp getallenkennis omvat kennis en inzichten in hoeveelheden. Dit gaat over inzicht in het tientallig stelsel, in de verschillende getalverzamelingen en in de diverse verschijningsvormen van getallen, zoals breuken, procenten en decimale getallen. Ook eigenschappen van getallen en hun onderlinge verbanden – zoals herstructureren, vergelijken en afronden – maken deel uit van dit onderwerp. Het onderwerp is onderverdeeld in de verschillende getalverzamelingen. Natuurlijke getallen verwijzen naar discrete aantallen met telbare elementen – vandaar het gebruik van het begrip ‘aantallen’. Gehele getallen breiden dit onderwerp uit met negatieve waarden, die vooral voorkomen in contexten zoals temperatuur. Positieve rationale getallen, zoals breuken, procenten en decimale getallen, hebben een continu (niet-telbaar) karakter. In deze verzameling spreken we dan ook van ‘hoeveelheden’ in plaats van ‘aantallen’.

  • Bewerkingen Het onderwerp bewerkingen gaat over optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen. Dit onderwerp bevat een overkoepelend deel rond begripsvorming over bewerkingen, hun eigenschappen en de relaties tussen bewerkingen. Zowel de suthema's standaardprocedures (hoofdrekenen), handig rekenen (hoofdrekenen) en de andere rekenwijzen (schattend rekenen, cijferen, rekenen met digitale rekentool) steunen hierop. Leerlingen kunnen flexibel een doelmatige een voor hen passende rekenmethode uitkiezen, uitvoeren en verantwoorden op basis van hun inzicht in de getalstructuur en begrip van de rekenhandelingen. De bewerkingen met breuken & procenten zijn een apart onderdeel binnen het onderwerp, maar dienen ook het vermenigvuldigen en delen van decimale getallen.

  • Meten & metend rekenen Het onderwerp meten & metend rekenen bestudeert het inzicht in de grootheden lengte, oppervlakte, inhoud/volume, massa, geld, tijdstip & tijdsduur, temperatuur en hoekgrootte. Het onderwerp bevat deze grootheden als aparte subthema's die steunen op een overkoepelend deel. Dit overkoepelend deel bundelt de meetinzichten en vaardigheden die breed inzetbaar zijn over de verschillende grootheden heen. De ontwikkeling binnen dit onderwerp verloopt geleidelijk: in de beginfase ligt de nadruk op concrete meetactiviteiten waarbij handelen centraal staat. Pas in een latere fase verschuift de focus naar het abstractere metend rekenen. De meetinzichten worden doorheen het hele kleuter- en lager onderwijs systematisch opgebouwd en verdiept.

  • Meetkunde Het onderwerp meetkunde bestudeert vlakke en ruimtelijke objecten. Binnen het onderwerp worden vier grote onderdelen onderscheiden: vormleer, plaatsbepaling, transformaties en meetkundige relaties. Deze subthema's zijn opgebouwd volgens de Van Hiele-niveaus. De vormleer richt zich op de eigenschappen, classificatie, definities en constructies van objecten – met de centrale vraag: wat is het object? Plaatsbepaling behandelt waar het object zich in de ruimte bevindt en krijgt ook zijn toepassing binnen de vakdiscipline aardrijkskunde. Meetkundige transformaties gaan in op hoe een object verandert onder bewerkingen zoals spiegeling, verschuiving, draaiing, vergroting of verkleining. Meetkundige relaties, zoals congruentie, gelijkvormigheid en symmetrie, sluiten hierop aan. Ze vergelijken het origineel en het beeld na een transformatie, en leggen verbanden tussen beide. Daarnaast bevat het onderwerp een aanvullend onderdeel logica en verzamelingen. Dit subthema werd bewust bij meetkunde geplaatst, waar het helpt om structuur aan te brengen in redeneringen en bijdraagt aan het opbouwen van inzicht. Het onderdeel logica en verzamelingen zou ook bij de andere onderwerpen (zoals getallenkennis) en binnen computationeel denken (ICT) kunnen ingezet worden.

  • Kansrekenen & statistiek Het onderwerp kansrekenen & statistiek start in de kleuterschool met begripsontwikkeling rond (on)zekere gebeurtenissen. In het lager onderwijs wordt het kansbegrip verder uitgebouwd en in verband gebracht met kennis over breuken en procenten. Statistiek richt zich op het verzamelen, ordenen, interpreteren en voorstellen van gegevens. Hierbij worden tabellen, diagrammen en centrummaten ingezet om inzichten te verwerven uit data en er conclusies uit te trekken.

  • Probleemoplossend denken & vraagstukken Het onderwerp probleemoplossend denken & vraagstukken omvat het oplossen van (niet-)routineuze opgaven. Probleemoplossend denken richt zich op opgaven waarbij de oplossingsweg niet meteen voor de hand ligt, er soms meerdere oplossingswegen zijn en meerdere oplossingen. Wiskundige problemen zijn problemen die opgelost kunnen worden door het toepassen van wiskundige kennis (principes, concepten), bewerkingen of handelingen. Het kan hierbij gaan om zuiver wiskundige problemen of geïntegreerde (STEM-)problemen met een wiskundige insteek of component (Wetenschap & Techniek). Denkstappen kunnen het probleemoplossend proces ondersteunen. Daarnaast spelen specifieke heuristieken een rol, zoals het maken van een tekening, patroonherkenning, abstractie, (de)compositie en algoritmen. Denkstappen en heuristieken mogen niet gezien worden als afgebakende inhouden of afvinklijstjes. Deze dragen ook bij tot computationeel denken. Het subthema vraagstukken omvat contextopgaven die nauw aansluiten bij de leerinhouden zoals procenten, recht/omgekeerd evenredige grootheden, ongelijke verdeling, schaal.

Getallenkennis › Natuurlijke getallen

2.1.5

De leerling kan de (grootste) gemeenschappelijke deler en het (kleinste) gemeenschappelijk veelvoud van twee natuurlijke getallen tot en met 100 bepalen.

2.1.6

De leerling kan** **(bij) natuurlijke getallen tot en met 10 000 000 000:

  • lezen en schrijven, waarbij miljoen en miljard als eenheid worden gebruikt;
    < bv. in 2025 waren we met 8,2 miljard mensen op de aarde >

  • vergelijken, ordenen en plaatsen op de getallenas;

  • met miljoenen, honderdduizendtallen, tienduizendtallen, duizendtallen, honderdtallen, tientallen, eenheden splitsen en samenstellen;

  • herstructureren en samenstellen (in functie van bewerkingen);

  • tot op een tienduizend-, honderdduizend-, miljoen- en miljardtal afronden;

  • grootteordes inschatten;
    < bv. België had in 2025 ongeveer 11 miljoen inwoners, China 1,4 miljard >

  • de kenmerken van deelbaarheid toepassen om de deelbaarheid en de rest te bepalen.

Getallenkennis › Gehele getallen

2.1.9

De leerling kan de afstand tussen twee negatieve getallen bepalen met behulp van een schematische voorstelling.

< bv. ik ga van verdieping 4 naar verdieping -2, ik daal 6 verdiepingen >

Getallenkennis › Positieve rationale getallen

2.1.10Inzichtelijk kennen

De leerling kent een breuk als een deling [I].

2.1.11Inzichtelijk kennen

De leerling kent een natuurlijk getal als een oneigenlijke breuk [I].

< bv. een oneigenlijke breuk is een breuk waarbij de teller een veelvoud is van de noemer, bv. 93{\frac{9}{3}}, 66{\frac{6}{6}}, 31{\frac{3}{1}} >

2.1.15Feitelijk kennen

De leerling kent van de breuken 12{\frac{1}{2}}, 14{\frac{1}{4}}, 34{\frac{3}{4}}, 15{\frac{1}{5}}, 110{\frac{1}{10}}, 1100{\frac{1}{100}} hun uitdrukking als procenten paraat [F].

2.1.16Inzichtelijk kennen

De leerling kent een relatieve en absolute vergelijking [I].

< bv. Ik eet de helft van taart A, jij de helft van taart B, ook al eten we allebei een halve taart (relatief), toch hangt de hoeveelheid af van de grootte van de taart (absoluut) >

Bewerkingen › Overkoepelend deel: begripsvorming, eigenschappen van en relaties tussen bewerkingen

2.2.1Inzichtelijk kennen

De leerling kent** **het vermenigvuldigen: ‘van’ als ‘maal’ bij breuken [I].

2.2.2Inzichtelijk kennen

De leerling kent de eigenschappen van bewerkingen [I]:

  • de som van twee getallen verandert niet als we bij één term een getal optellen en dit getal van de andere term aftrekken;
  • het verschil van twee getallen verandert niet als we bij beide termen hetzelfde getal optellen of aftrekken;
  • het product van twee getallen verandert niet als we de ene factor vermenigvuldigen met een getal en de andere factor delen door dit getal;
  • het quotiënt van twee getallen verandert niet als we deeltal en deler vermenigvuldigen met of delen door eenzelfde getal (de rest verandert wel);
  • het verband tussen deeltal, deler, quotiënt, rest: D = d x q + r;
  • het product/quotiënt verandert niet als we een factor/de deler ontbinden.
    < bv. vermenigvuldigen met 12 is hetzelfde als vermenigvuldigen met 3 en met 4, delen door 12 is delen door 3 en door 4 >

Bewerkingen › Hoofdrekenen: standaardprocedures

2.2.7

De leerling kan standaardprocedures gebruiken om het resultaat van een bewerking te vinden voor decimale getallen (tot op 1 duizendste):

  • optellen en aftrekken;

  • vermenigvuldigen met een natuurlijk getal op basis van de keerhandeling;
    < bv. 0,6 x 3 = 3 x 0,6 = 3 x 6 t >

  • delen door een natuurlijk getal op basis van de verdelingsdeling.
    < bv. 0,08 : 2 = 8 h : 2 >

Bewerkingen › Hoofdrekenen: handig rekenen

2.2.10

De leerling kan eigenschappen van bewerkingen en relaties gebruiken om handig te rekenen.

< bv. 31 + 19 = (31 – 1) + (19 + 1) = 30 + 20
73 – 19 = (73 + 1) – (19 + 1) = 74 – 20
12 x 5 = (12 : 2) x (5 x 2) = 6 x 10
48 : 12 = (48 : 2) : (12 : 2) = 24 : 6
98 x 12 = (100 – 2) x 12 = (100 x 12) – (2 x 12) = 1 200 – 24 (compenseren, splitsen en verdelen)
2 277 : 23 = (2 300 – 23) : 23 = (2 300 : 23) – (23 : 23) = 100 – 1 (compenseren, splitsen en verdelen) >

2.2.12

De leerling kan decimale getallen (tot op 1 duizendste) vermenigvuldigen en delen door om te zetten naar breuken.

< bv. 4 × 0,7 = 4 × 710{\frac{7}{10}} = 2810{\frac{28}{10}} = 2,8
0,4 × 7 = 410{\frac{4}{10}} × 7 = 2810{\frac{28}{10}} = 2,8
0,18 × 4 = 18100{\frac{18}{100}} × 4 = 72100{\frac{72}{100}} = 0,72
0,4 × 0,7 = 410{\frac{4}{10}} × 710{\frac{7}{10}} = 28100{\frac{28}{100}} = 0,28
5,4 : 9 = 5410{\frac{54}{10}} : 9 = 610{\frac{6}{10}} = 0,6
0,72 : 0,8 = 72100{\frac{72}{100}} : 810{\frac{8}{10}} = 72100{\frac{72}{100}} × 108{\frac{10}{8}} = 720800{\frac{720}{800}} = 910{\frac{9}{10}} = 0,9
70 : 3,5 = 70 : 3510{\frac{35}{10}} = 70 × 1035{\frac{10}{35}} = 70035{\frac{700}{35}} = 20
5,4 : 1,2 = 5410{\frac{54}{10}} : 1210{\frac{12}{10}} = 5410{\frac{54}{10}} × 1012{\frac{10}{12}} = 540120{\frac{540}{120}} = 92{\frac{9}{2}} = 4,5 >

Bewerkingen › Bewerkingen met breuken en procenten

2.2.13Inzichtelijk kennen

De leerling kent een procent van een getal als een vermenigvuldigingsfactor [I].

2.2.14Inzichtelijk kennen

De leerling kent een schematische voorstelling voor de oplossingsstrategie van onderstaande bewerkingen met breuken [I]:

  • natuurlijk getal x breuk;
  • breuk x natuurlijk getal;
  • breuk x breuk;
  • breuk : natuurlijk getal;
  • de drie basisregels die bovenstaande regels samenvatten [I/F]:
  • optellen en aftrekken van (on)gelijknamige breuken;
  • breuk x breuk;
  • breuk : breuk.
2.2.15

De leerling kan bij breuken waarbij de noemer beperkt is tot en met 20 of breuken die te vereenvoudigen zijn tot deze breuken ongelijknamige breuken optellen en aftrekken.

Bewerkingen › Andere rekenwijzen: schattend rekenen, cijferen, rekenen met digitale rekentool

2.2.21

De leerling kan schattend rekenen wanneer een bepaalde context hierom vraagt zoals bij onvoldoende gegevens of wanneer geen exact resultaat nodig is.

< bv. voor een optelling het ene getal naar boven en het andere getal naar beneden afronden >

Meten en metend rekenen › Overkoepelende meetinzichten en vaardigheden

2.3.1Inzichtelijk kennen

De leerling kent de meetinzichten uit het 4de jaar toegepast op de nieuwe grootheden [I].

2.3.2Inzichtelijk kennen

De leerling kent het onderscheid tussen een verhoudingsmeting (bv. lengte, massa, tijdsduur) en een intervalmeting (temperatuur en tijdstip) [I].

< bv. een lengte van 20 cm is dubbel zo groot als een lengte van 10 cm, een temperatuur van 20°C is niet dubbel zo warm als een temperatuur van 10°C >

2.3.3

De leerling kan indirect meten door:

  • een andere grootheid te meten;
    < bv. 1 uur lopen komt overeen met een afstand van 5 km >

  • berekeningen te maken;
    < bv. de dikte van een blad bepalen door de dikte van een blok papier te meten en deze lengte te delen door aantal bladzijden >

  • een verhoudingstabel of een formule te gebruiken voor samengestelde grootheden (zie verder bij samengestelde grootheden).

Meten en metend rekenen › Lengte - oppervlakte - inhoud/volume

2.3.4Feitelijk kennenInzichtelijk kennen

De leerling kent de opbouw van het metriek stelsel en de verbanden tussen opeenvolgende volumematen [I/F].

2.3.6Feitelijk kennen

De leerling kent referentiematen en referentiepunten voor oppervlakte-, inhouds- en volumematen [F].

2.3.7Inzichtelijk kennen

De leerling kent de grootte-orde van een hectare (ha) in een betekenisvolle context [I].

2.3.8Inzichtelijk kennen

De leerling kent het volume als een driedimensionale grootheid [I].

2.3.9Feitelijk kennenInzichtelijk kennen

De leerling kent het verband tussen inhoud en volume [I/F].

< bv. 1 dm³ is de ruimte die door 1 liter wordt ingenomen >

2.3.10Feitelijk kennenInzichtelijk kennen

De leerling kent in woorden de formules van (afleiden en paraat kennen) [I/F]:

  • de omtrek van een cirkel met π als de verhouding tussen de omtrek en de diameter;
  • de oppervlakte van een driehoek, parallellogram, ruit, trapezium, regelmatige veelhoek, cirkel waarbij de formules worden afgeleid via het omstructureren naar een figuur waarvan de oppervlakteformule gekend is;
  • de oppervlakte van een kubus, balk, cilinder via de som van de oppervlakten van de grensvlakken;
  • het volume van een kubus, balk (via het beeld van gelijke lagen), een cilinder (naar analogie met de balk, via oppervlakte grondvlak x hoogte).
2.3.12Feitelijk kennen

De leerling kent de volgende maateenheden en hun wiskundige notaties [F]:

  • km², hm², dam², m², dm², cm², mm²;
    < hm², dam² zijn geen veelgebruikte maten, maar ondersteunen de opbouw van het metriek stelsel >

  • kl, hl, dal, l, dl, cl, ml;
    < kl,hl,dal zijn geen veelgebruikte maten, maar ondersteunen de opbouw van het metriek stelsel >

  • km³, hm³, dam³, m³, dm³, cm³, mm³.
    < km³, hm³, dam³ zijn geen veelgebruikte maten, maar ondersteunen de opbouw van het metriek stelsel >

2.3.14

De leerling kan herleidingen tussen verschillende, veelgebruikte standaardmaateenheden voor lengte, oppervlakte en inhoud uitvoeren.

< hl/hm³ en dam²/dal/dam³ zijn geen veelgebruikte maten, maar ondersteunen de opbouw van het metriek stelsel >

2.3.15

De leerling kan een inhoudsmaat naar een volumemaat omzetten en omgekeerd.

Meten en metend rekenen › Massa

2.3.18Feitelijk kennenInzichtelijk kennen

De leerling kent de uitbreiding van het metriek stelsel voor massa [I/F].

2.3.19Feitelijk kennenInzichtelijk kennen

De leerling kent het verband tussen inhoudsmaten/volumematen en massa [I/F].

< bv. 1l water heeft een volume van 1 dm³ en een massa van 1 kg >

2.3.20Feitelijk kennen

De leerling kent de volgende maateenheden en hun wiskundige notaties [F]:

  • ton;
  • dg, cg, mg;
  • bruto, netto, tarra.
2.3.21

De leerling kan herleidingen tussen verschillende, veelgebruikte maateenheden voor massa (inclusief inhoudsmaten/volumematen) uitvoeren.

2.3.22

De leerling kan brutomassa, nettomassa of tarra bepalen als twee van de drie massa’s gegeven zijn.

Meten en metend rekenen › Geld

2.3.23Feitelijk kennen

De leerling kent de volgende begrippen [F]:

  • de inkoopprijs, de verkoopprijs, de winst, het verlies;
  • de oude prijs, de nieuwe prijs, de korting (percentage).
2.3.24

De leerling kan een prijs (inkoopprijs, verkoopprijs, winst, verlies, korting of hun percentage) bepalen als twee van de drie prijzen gegeven zijn.

Meten en metend rekenen › Tijdstip en tijdsduur

Meten en metend rekenen › Temperatuur

Meten en metend rekenen › Hoekgrootte

2.3.33Inzichtelijk kennen

De leerling kent een graad als de hoek die negentig keer in een rechte hoek past [I].

2.3.34Feitelijk kennen

De leerling kent de volgende maateenheid en wiskundige notatie [F]: graden (°).

2.3.35

De leerling kan met een geodriehoek hoeken tot op 1° nauwkeurig meten en tekenen.

Meetkunde › Vormleer

2.4.2Feitelijk kennen

De leerling kent de volgende begrippen en wiskundige notaties [F]:

  • notaties: het punt (A), de rechte (a), de halfrechte [AB, het lijnstuk [AB], de hoek Â, de vlakke figuur (ΔABC, vierhoek ABCD);
  • begrensd, onbegrensd;
  • de ongelijkbenige driehoek, de (on)regelmatige veelhoek;
  • de hoogte, de basis, de schuine zijde;
  • de diagonaal, de loodlijn;
  • het middelpunt, de diameter, de straal;
  • het oppervlak, het zijvlak, het grondvlak, de ontvouwing, de ribbe, het gebogen oppervlak;
  • het veelvlak.
2.4.3

De leerling kan eigenschappen in verband met diagonalen vaststellen en formuleren op verschillende types van eenzelfde vlakke figuur.

2.4.6

De leerling kan vlakke, meetkundige objecten tekenen vanuit eigenschappen en de gebruikte werkwijze toelichten.

< bv. een gelijkbenige driehoek tekenen met behulp van een passer en toelichten waarom deze werkwijze een gelijkbenige driehoek oplevert/de diagonalen gebruiken om een ruit te tekenen >

2.4.7

De leerling kan de juiste ontvouwing(en) selecteren uit verschillende (juiste en foute) varianten van dezelfde ruimtefiguur voor:

  • een kubus;
  • een balk;
  • een cilinder.

Meetkunde › Plaatsbepaling

Meetkunde › Meetkundige transformaties

Meetkunde › Meetkundige relaties

Meetkunde › Logica en verzamelingen

2.4.23Inzichtelijk kennen

De leerling kent de doorsnede als het gemeenschappelijk gebied met de elementen die tot de twee verzamelingen behoren [I].

2.4.24Feitelijk kennen

De leerling kent de volgende begrippen [F]:

  • als … dan … ;
  • alle, niet alle, juist één, geen, ten minste, ten hoogste.
2.4.25

De leerling kan uitdrukkingen met logische begrippen gebruiken in concrete situaties.

< bv. alle ruiten hebben gelijke zijden/een rechthoek die geen vierkant is, heeft juist 2 symmetrieassen >

2.4.27

De leerling kan nagaan of een uitspraak waar of onwaar is voor nieuwe (meetkundige) begrippen in het 6de jaar.

< bv. ’alle vierkanten hebben loodrechte diagonalen’ is waar/‘alle vierhoeken met loodrechte diagonalen zijn vierkanten’ is onwaar >

Kansrekenen en statistiek › Kansrekenen

2.5.1Inzichtelijk kennen

De leerling kent een kans als de verhouding van het aantal gunstige uitkomsten tot het aantal mogelijke uitkomsten [I].

< bv. een muntstuk heeft 2 zijden, de munt is 1 van de zijden. De kans op munt is 12{\frac{1}{2}}.>

2.5.2Inzichtelijk kennen

De leerling kent een kans als een breuk en als procent [I].

2.5.3Feitelijk kennen

De leerling kent de volgende begrippen [F]: de kans, de uitkomst(en).

2.5.4

De leerling kan kansen berekenen voor enkelvoudige gebeurtenissen door de verhouding te bepalen van het aantal gewenste uitkomsten en het aantal mogelijke uitkomsten.

Kansrekenen en statistiek › Statistiek

2.5.6Inzichtelijk kennen

De leerling kent grafieken waarbij twee grootheden ten opzichte van elkaar worden weergegeven [I].

< bv. een tijd-afstandsgrafiek, een grafiek waarbij schermtijd wordt uitgezet tegen aantal uren slapen, een grafiek die (gemiddelde) massa en lengte uitzet >

2.5.8Inzichtelijk kennen

De leerling kent het gemiddelde als een gelijke verdeling van een hoeveelheid [I].

< bv. als ik 120 bonbons verdeel over 10 leerlingen, dan moet ik 12 bonbons geven aan elke leerling (het gemiddelde is 12). >

2.5.10Inzichtelijk kennen

De leerling kent het principe dat het gemiddelde niet altijd samenvalt met de mediaan [I].

< bv. als het gemiddelde op een toets 6/10 is, betekent dit niet (noodzakelijk) dat de helft van de leerlingen hoger scoorde dan 6/10. >

2.5.11Feitelijk kennen

De leerling kent de volgende begrippen [F]:

  • het cirkeldiagram;
  • de verticale as, de horizontale as;
  • het gemiddelde, de mediaan.
2.5.12

De leerling kan informatie uit een cirkeldiagram, staafdiagram of lijngrafiek met twee grootheden aflezen, interpreteren en vergelijken.

Probleemoplossend denken en vraagstukken › Probleemoplossend denken

2.6.1

De leerling kan wiskundige problemen oplossen met meerdere bewerkingen/handelingen, door:

  • denkstappen bij wiskundige problemen toe te passen;
    < bv.
  • de denkstappen van het 4de jaar toepassen;
  • een model om problemen op te lossen hanteren zoals het model van Polya dat de volgende stappen onderscheidt: (1) een probleem begrijpen, (2) een plan maken, (3) een plan uitvoeren, (4) reflectie. >
  • heuristieken toe te passen.
    < bv.
  • de heuristieken van het 4de jaar toepassen;
  • naar analogie werken met soortgelijke, eerder opgeloste problemen;
  • een probleem opsplitsen in deelproblemen (decompositie);
  • een gegeven voorlopig buiten beschouwing laten;
  • moeilijke gegevens tijdelijk vervangen door eenvoudige;
  • een algoritme ontwerpen om het probleem op te lossen;
    ​​​​​​​* abstraheren. >

Probleemoplossend denken en vraagstukken › Vraagstukken

2.6.2

De leerling kan met natuurlijke getallen tot en met 10 000 (of grotere getallen met eindnullen), decimale getallen (tot op 1 duizendste) en breuken (noemers tot en met 100): (samengestelde) vraagstukken oplossen over:

  • breuken en procenten met:

  • een breuk als operator of deel/geheel;

  • groeipercentages;
    < bv. een bevolkingstoename >

  • absolute en relatieve vergelijkingen (met verhoudingstabel, een breuk of een procent).
    ​​​​​​​< bv. in de Vlinderschool (100 lln.) fietst 48%, in de Parkschool (2000 lln.) een vijfde. Relatief meer fietsers in de Vlinderschool, absoluut meer in de Parkschool. >

  • delers, veelvouden en restbepaling;

  • de bewerkingen (+, -, x, :) met (samengestelde vraagstukken):

  • natuurlijke getallen;

  • decimale getallen, breuken, procenten.

  • ongelijke verdeling waarbij:

  • de som en het verschil gegeven zijn;

  • de som en de verhouding van de delen gegeven zijn.

  • mengsels;

  • verhoudingen met behulp van een verhoudingstabel (waaronder de regel-van-drie) waarbij:

  • gelijkwaardige verhoudingen bepaald worden;

  • het ontbrekende verhoudingsgetal berekend wordt;

  • recht, omgekeerd en niet-evenredige grootheden een rol spelen.
    < bv. aantal-prijs, afstand-prijs, afstand-tijd, massa-prijs, aantal dieren-hoeveelheid voedsel, debiet-tijd, tijd-snelheid >

  • één grootheid: lengte, oppervlakte, inhoud, volume, massa, tijd, geld, temperatuur, hoekgrootte;

  • relaties tussen grootheden (zonder en met procenten):

  • prijsberekeningen: winst/verlies, korting, prijsstijging, enkelvoudige interest;

  • bruto/tarra/netto;

  • afstand, snelheid en tijd;

  • schaal, lengte op schaal en werkelijke lengte.

  • meetkundige figuren waarbij de eigenschappen gebruikt worden;

  • statistiek met tabellen, grafieken, diagrammen, gemiddelde en mediaan.

Bron: Vlaamse overheid, Departement Onderwijs en Vorming. Onderwijsdoelen (https://onderwijsdoelen.be), via de API onderwijs.api.vlaanderen.be/onderwijsdoelen. Opgehaald op 2026-10-15. Volgens de uitgangspunten bij de minimumdoelen wiskunde staat [I] voor inzichtelijk kennen, [F] voor feitelijk kennen en [I/F] voor beide.